beheerder van de facebook groep: PHOENICIA: The history & legacy of the Phoenicians

donderdag 15 december 2016

Baal Hamon

BAAL HAMON
B ‘ l  ḥ m n (fen), Balamoun (gr), Balamon (lat). Zeer waarschijnlijk betekent de naam “Heer van de Amanus”.  De oudste registratie van deze goddelijke naam gaat terug tot 825 v.C en komt van Zincirli, dat de hoofdstad was van een klein Aramees vorstendom op de oostelijke flanken van de Amanus (KAI 24=TSSI III,13,16). Het woord ḥ m n  vinden we ook terug in de fenicische aanduiding P ‘ r  ḥ m n (KAI 26=TSSI III, 15,A6/Bordreuil, Cataloque 4): Pahar Amanus (=het land Amanus). In de Akkadische teksten komt de vorm Hamanu voor. Meester van de Amanus was de god Dagan of Dagon. Ook hier zien we een wijziging van de ‘a’ naar de ‘o’. Baal Hamon was dus oorspronkelijk een titel, die aan Dagon werd meegegeven.

BAAL HAMON
B ‘ l  ḥ m n (fen), Balamoun (gr), Balamon (lat). Zeer waarschijnlijk betekent de naam “Heer van de Amanus”.  De oudste registratie van deze goddelijke naam gaat terug tot 825 v.C en komt van Zincirli, dat de hoofdstad was van een klein Aramees vorstendom op de oostelijke flanken van de Amanus (KAI 24=TSSI III,13,16). Het woord ḥ m n  vinden we ook terug in de fenicische aanduiding P ‘ r  ḥ m n (KAI 26=TSSI III, 15,A6/Bordreuil, Cataloque 4): Pahar Amanus (=het land Amanus). In de Akkadische teksten komt de vorm Hamanu voor. Meester van de Amanus was de god Dagan of Dagon. Ook hier zien we een wijziging van de ‘a’ naar de ‘o’. Baal Hamon was dus oorspronkelijk een titel, die aan Dagon werd meegegeven.

BAAL HAMON
B ‘ l ḥ m n (phoenician), Balamoun (greek) Balamon (latin). Most probably the name means "Lord of the Amanus." The oldest record of this divine name goes back to 825 BC coming from Zincirli, which was the capital of a small Aramaic principality on the eastern slopes of the Amanus (KAI 24 = TSSI III, 13.16). The word ḥ m n can also be found in the Phoenician designation P ‘ r ḥ m n (KAI 26 = TSSI III, 15, A6 / Bordreuil, cataloque 4): Pahar Amanus (= the country Amanus). In the Akkadian texts form Hamanu occurs. Master of the Amanus was the god Dagan or Dagon. Again we see a change in the "a" to "o". Baal Hamon was therefore originally a title that was given to Dagon.
However, this was only the beginning of the occurrence of Baal Hamon! Much more later!


Verspreiding:
----------------
In het oosten verspreidde de cultus van Baal Hamon zich naar de streek van Tyrus. In de 6e eeuw v.C duikt er in de regio van Tyrus een amulet op (StPhoen.4, 1986, p.82-86) met wijdingen aan Bêl Hamon uit Palmyra (B ‘ l  ḥ m n) en hier in Tyrus zelf komen dan de persoonsnamen Ha-mu-na-a-a en Ab-di-He-mu-nu voor (Benz, Names p.154 + BASOR 230,1978, p.58). In het westen komt Baal Hamon op heel veel gedenkstenen met een inscriptie voor op de urnenvelden, waarbij er vaak sprake is van een ‘molk’. Centra daarbij zijn Malta, Carthago, Hadrumetum, Mididi, Cirta en in de kolonies van Carthago op Sicilië en Sardinië. In later tijden vinden er assimilaties plaats naar Kronos, Saturnus en Pluto. De naam Baal Hamon blijft echter in zwang tot in de 1e eeuw na Chr. (CdB3, 1953, p.113-118). Ook later wordt de godheid waarschijnlijk vereerd onder de namen Baal Addir en Baal Qarnaim. In het laatste geval wordt hij in latijnse inscripties Balcarnen(sis) genoemd (Djebel Qournein).

Verspreiding:
----------------
In het oosten verspreidde de cultus van Baal Hamon zich naar de streek van Tyrus. In de 6e eeuw v.C duikt er in de regio van Tyrus een amulet op (StPhoen.4, 1986, p.82-86) met wijdingen aan Bêl Hamon uit Palmyra (B ‘ l  ḥ m n) en hier in Tyrus zelf komen dan de persoonsnamen Ha-mu-na-a-a en Ab-di-He-mu-nu voor (Benz, Names p.154 + BASOR 230,1978, p.58). In het westen komt Baal Hamon op heel veel gedenkstenen met een inscriptie voor op de urnenvelden, waarbij er vaak sprake is van een ‘molk’. Centra daarbij zijn Malta, Carthago, Hadrumetum, Mididi, Cirta en in de kolonies van Carthago op Sicilië en Sardinië. In later tijden vinden er assimilaties plaats naar Kronos, Saturnus en Pluto. De naam Baal Hamon blijft echter in zwang tot in de 1e eeuw na Chr. (CdB3, 1953, p.113-118). Ook later wordt de godheid waarschijnlijk vereerd onder de namen Baal Addir en Baal Qarnaim. In het laatste geval wordt hij in latijnse inscripties Balcarnen(sis) genoemd (Djebel Qournein).

Spread of Baal Hamon:
----------------------------
In the East the cult of Baal Hamon spread to the region of Tyre. In the 6th century BC we encounter there in the Tyre region an amulet (StPhoen.4, 1986, p.82-86) with ordinations to Baal Hamon from Palmyra (B ‘ l  ḥ m n) and here in Tyre itself the personal names Ha-mu-na-a-a and Ab-di-He-mu-nu occur (Benz, Names p.154 + BASOR 230.1978, p.58). In the west Baal Hamon comes forward in many memorial stones with an inscription on the urn fields, where there is often mention of a 'molk'. He is then often accompanied by Tanit, face of Baal. Thereby centers are Malta, Carthage, Hadrumetum, Mididi, Cirta and in the colonies of Carthage in Sicily and Sardinia. In later times take place assimilations to Kronos, Saturn and Pluto. The name Baal Hamon remains in vogue until the 1st century AD. (Cdb3, 1953, p.113-118). Still the deity is also probably worshiped under the names Baal Addir and Baal Qarnaim. In the latter case he is called in Latin inscriptions Balcarnen(sis) (Djebel Qournein).


Karakter:
-----------
Baal Hamon als Dagon tot en met Saturnus is een agrarische godheid. Te Utica, Carthago en Hadrumetum komen bij hem in afbeeldingen allemaal agrarische tekens voor.Standbeelden uit Thinissut, Hadrumetum, Malta en Genoni en op een gedenksteen uit Cirta wordt Baal Hamon weergegeven zittend op een troon met een korenstengel of met drie korenaren in zijn linkerhand (StPhoen 4. 1986, p.330-333, 342-343). De korenaar vinden we ook terug op punische en neopunische munten. De toevoegingen ‘frugifer’ en ‘deus frugum’ bij Afrikaanse Saturnus bevestigen eens te meer het agrarische karakter van Baal Hamon, die in de voetsporen van Dagon is getreden. Het verklaart ook het ‘molk’ offer aan Baal Hamon, want het mensoffer is een uiting van de vruchtbaarheidscultus. De kroon op het hoofd bestaande uit vegetatiebladeren te Genoni, El-Hofra en Thinissut is een andere uiting van het agrarisch karakter. In het oosten is er zelfs sprake van de aanleg van een bosschage voor de Kronos van Arwad (IGLS VII, 4002). In de Etymologicum magnum (p.196,52) wordt daarbij zelfs een plaats genoemd: Betagon (Bet Dagon), waarmee duidelijk wordt, dat Dagon de Kronos van de Feniciërs is. De koppeling van Baal Hamon aan de zon of de maan komt niet duidelijk naar voren. Daar zijn pas sporen van te zien bij de Afrikaanse Saturnus.

Karakter:
-----------
Baal Hamon als Dagon tot en met Saturnus is een agrarische godheid. Te Utica, Carthago en Hadrumetum komen bij hem in afbeeldingen allemaal agrarische tekens voor.Standbeelden uit Thinissut, Hadrumetum, Malta en Genoni en op een gedenksteen uit Cirta wordt Baal Hamon weergegeven zittend op een troon met een korenstengel of met drie korenaren in zijn linkerhand (StPhoen 4. 1986, p.330-333, 342-343). De korenaar vinden we ook terug op punische en neopunische munten. De toevoegingen ‘frugifer’ en ‘deus frugum’ bij Afrikaanse Saturnus bevestigen eens te meer het agrarische karakter van Baal Hamon, die in de voetsporen van Dagon is getreden. Het verklaart ook het ‘molk’ offer aan Baal Hamon, want het mensoffer is een uiting van de vruchtbaarheidscultus. De kroon op het hoofd bestaande uit vegetatiebladeren te Genoni, El-Hofra en Thinissut is een andere uiting van het agrarisch karakter. In het oosten is er zelfs sprake van de aanleg van een bosschage voor de Kronos van Arwad (IGLS VII, 4002). In de Etymologicum magnum (p.196,52) wordt daarbij zelfs een plaats genoemd: Betagon (Bet Dagon), waarmee duidelijk wordt, dat Dagon de Kronos van de Feniciërs is. De koppeling van Baal Hamon aan de zon of de maan komt niet duidelijk naar voren. Daar zijn pas sporen van te zien bij de Afrikaanse Saturnus.

Character of Baal Hamon:
--------------------------------
Baal Hamon as Dagon to Saturn is an agricultural deity. In Utica, Carthage and Hadrumetum we see him in pictures with all agricultural signs. Statues from Thinissut, Hadrumetum, Malta and Genoni and Baal Hamon and a memory stone from Cirta show him sitting on a throne with a corn stalk or three ears of corn in his left hand (StPhoen 4. 1986, p.330-333, 342-343). The ear of corn can also be found on the Punic and Neopunic coins. The additions 'frugifer' and 'deus frugum' to African Saturn confirm once more the agricultural character of Baal Hamon, who followed in the footsteps of Dagon. It also explains the 'molk' sacrifice to Baal Hamon, because the human sacrifice is an expression of the fertility cult. The crown on the head consisting of vegetation leaves at Genoni, El Hofra and Thinissut is another manifestation of the agrarian character. In the east, there is talk of building a grove for the Kronos of Arwad (IGLS VII, 4002). In Etymologicum magnum (p.196,52) has even been called a city: Betagon (Bet Dagon), which becomes clear that Dagon is the Kronos of the Phoenicians. The coupling of Baal Hamon to the sun or the moon is not evident. There are only seen traces of that with the African Saturn.
Literature:
------------
- G.C.Picard, Les religiones de l’Afrique antique, Paris 1954, p.59-79 ;
- M.Leglay, Saturne Africain, Monuments I-II, Paris 1961-1966 ;
- L.Foucher, Hadrumetum, Tunis 1964, p.39-42;
- C.Picard, Victoires et trophées puniques: la souveranité de Baal Hammon, StMagr 3 (1970), p.55-72 ;
- T.C.Gouder, Baal Hammon in the Iconography of the Ancient Bronze Coinage of Malta, Scientia 36 (1975), p.1-16 ;
- E.Lipinski, Zeus Ammon et Baal Hammon, StPhoen 4 (1986) p.307-322;
- A.Roobaert: Sid, Sardus Pater ou Baal Hammon? À propos d’un bronze de Genoni, StPhoen 4 (1986), p.333-345;
- E.Lipinski, Syro-Fenicische wortels van de Karthaagse religie, Phoenix 28 (1982+1984), p.51-84;
- E.Lipinski e.a., Dictionnaire de la civilisation phénicienne et punique, Brepols, Leuven 1992.




Literatuur:
------------
- G.C.Picard, Les religiones de l’Afrique antique, Paris 1954, p.59-79 ;
- M.Leglay, Saturne Africain, Monuments I-II, Paris 1961-1966 ;
- L.Foucher, Hadrumetum, Tunis 1964, p.39-42;
- C.Picard, Victoires et trophées puniques: la souveranité de Baal Hammon, StMagr 3 (1970), p.55-72 ;
- T.C.Gouder, Baal Hammon in the Iconography of the Ancient Bronze Coinage of Malta, Scientia 36 (1975), p.1-16 ;
- E.Lipinski, Zeus Ammon et Baal Hammon, StPhoen 4 (1986) p.307-322;
- A.Roobaert: Sid, Sardus Pater ou Baal Hammon? À propos d’un bronze de Genoni, StPhoen 4 (1986), p.333-345;
- E.Lipinski, Syro-Fenicische wortels van de Karthaagse religie, Phoenix 28 (1982+1984), p.51-84;
- E.Lipinski e.a., Dictionnaire de la civilisation phénicienne et punique, Brepols, Leuven 1992.



dinsdag 13 december 2016

Baal & Ugarit

Baal and Ugarit.
============
Die Mythologie der Ugariter und Phönizier, M.H.Pope/W.Röllig : Wörterbuch der Mythologie – 1, Stuttgart 1965 (p.266):
"Message of the mighty Baal,
Word of the mighty hero:
Eliminate the war on earth,
Eliminate the dispute in the country;
Pour peace into the interior of the earth,
Increase friendship among the fields! "

The UN could not have said it in a better way!

BAAL

BAAL

Originally, this word is a common noun or a generic name for the Semitic b‘l = owner, Sir, husband, as in M ​​l q r t Ṣ r (CIS I, 122 = 47 = KAI TSSI III, 21-22). However, in the Syro-Phoenician domain means it an early deity and almost always of the storm. Baal is already found in Ebla (ca.2300 BC) at Abu Salabikh and then Mari and in the el-Amarna texts. In Ugarit Baal is as BaalSaphon very important as the son of Dagan. He reigns as the god of the storm, clouds, the thunder, the lightning, the rain and snow. He is the almighty (’al’iyn), master of the earth (ZBL b ‘ l ’rṢ) and king. His myth gives his death by Môt, but also his resurrection as a god of vegetation. He is also a master of the order against the chaos of the Sea (Yam), he often is depicted as a bull, in which he anthropomorphic with a helmet with horns and a bundle of lightning.
In the Phoenician texts Baal comes forward as follows:
- Yd B ‘l = blessed by Baal (KAI 30.4);
- Brk B ‘l = blessed by Baal (KAI 26 A, 1.1);
- B 'br B ‘l w’lm = by the grace of Baal and the gods;
- P n B ‘l = face of Baal (adding Tanit);
- Š m B ‘l = name of Baal (KAI 14.18 at Astarte);
- S m B ‘l = effigy of Baal (KAI 12, 3-4).
- Baal of Sidon (KAI 14.18);
- Baal Kalenderis (KAI 26A, from 11.19 - 20);
- Baal Saphon (KAI 69.1);
- Baal of Lebanon (KAI 31.1-2);
- Baal Hermon (Jg 3,3);
- Baal of Tabor and Carmel.
Furthermore, we find Baal amongst others in the following combinations:
- Baal Hamon (among others KAI 24.16);
- Baal ymm (KAI 37 B4);
- Baal Mgnm (KAI78,3-4);
- Baal Ṣmd (KAI 24.15);
- Baal pn ’rṢ = Baal face of the earth (KAI 27.14 -15);
- Baal šmm = Baal of the heavens (KAI 4.3);
- Baal KR .. (Karatepe);
- Baal ’dr (o.a.KAI 9 B 5).


Literature:
- G.Pettinato, Preugaritic Documentation of Baal, The Biblical World, New York, 1980, p.203-209.
- E.Lipinski et al .: Dictionnaire de la civilisation phénicienne and punique, Brepols, 1992 Leuven.

maandag 14 november 2016

Astarte en Carthago

Carthago:
-----------
Vindplaats van een gouden medaillon uit het einde van de 8e eeuw v.C (KAI 73 = TSSI III,18). Vindplaats Odeon heuvel ten noorden van de Byrsa in de necropool Douïmes. Tekst: Idamelek/Jadamilk aan Astarte, aan Pygmalion. De logica van de verbinding van Astarte met Pygmalion is een raadsel. In Carthago heeft Astarte ook haar eigen tempel (KAI 81 = CIS I 3779, 4882).

Carthago:
-----------
Vindplaats van een gouden medaillon uit het einde van de 8e eeuw v.C (KAI 73 = TSSI III,18). Vindplaats Odeon heuvel ten noorden van de Byrsa in de necropool Douïmes. Tekst: Idamelek/Jadamilk aan Astarte, aan Pygmalion. De logica van de verbinding van Astarte met Pygmalion is een raadsel. In Carthago heeft Astarte ook haar eigen tempel (KAI 81 = CIS I 3779, 4882).

Astarte & Carthage:
--------------------------
Site of a gold medallion from the end of the 8th century BC (KAI = 73 TSSI III, 18). Location: Odeon hill north of the Byrsa in the necropolis Douïmes. Text: Idamelek / Jadamilk to Astarte, to Pygmalion. The logic of the connection of Astarte with Pygmalion is a mystery. At Carthage Astarte also has its own temple (KAI = 81 CIS I 3779, 4882).



Astarte en Cyprus

Cyprus:
---------
De oudste inscriptie in Cyprus, waarin Astarte genoemd wordt, komt uit een fenicische tempel in de wijk Kathari te Kition en staat op een beker van aardewerk (eind 9e eeuw v.C). Men leest er een moeilijk te verklaren wijding (Kition III D 21). In een andere wijk van Kition (op de heuvel Bamboula) vinden we een heiligdom van Astarte (Kition III C1,A4). Andere wijdingen treffen we aan te Paphos (‘štrt), dewelke corresponderen met Aphrodite Paphia.
Astarte kan zich overigens in Sidon verheugen in een pelgrim, die uit Paphos is aangereisd (Pélerins Chypriotes en Phénicie, A.Masson, Semitica XXXII 1982).

Cyprus:
---------
De oudste inscriptie in Cyprus, waarin Astarte genoemd wordt, komt uit een fenicische tempel in de wijk Kathari te Kition en staat op een beker van aardewerk (eind 9e eeuw v.C). Men leest er een moeilijk te verklaren wijding (Kition III D 21). In een andere wijk van Kition (op de heuvel Bamboula) vinden we een heiligdom van Astarte (Kition III C1,A4). Andere wijdingen treffen we aan te Paphos (‘štrt), dewelke corresponderen met Aphrodite Paphia.
Astarte kan zich overigens in Sidon verheugen in een pelgrim, die uit Paphos is aangereisd (Pélerins Chypriotes en Phénicie, A.Masson, Semitica XXXII 1982).

Astarte and Cyprus:
-----------------------
The oldest inscription in Cyprus, where Astarte is called, comes from a Phoenician temple in the district Kathari in Kition. It is a picture on a cup of pottery (late 9th century v.C). One is reading a difficult to explain ordination (Kition III D 21). In another area of Kition (on the hill Bamboula) we find a sanctuary of Astarte (Kition III C1, A4). Other ordinations we find to Paphos (‘štrt), which correspond with Aphrodite Paphia.
Astarte may otherwise look forward in Sidon to a pilgrim, who came from Paphos (Pélerins Chypriotes and Phoenicia, A.Masson, Semitics XXXII 1982).



Astarte en Sevilla

Sevilla:
---------
Buiten Fenicië is dit de oudste vindplaats in het westen van een spoor van Astarte. Hier staat een inscriptie op een bronzen beeldje, gevonden in de nabijgelegen plaats Carambolo en gewijd aan ‘ š t r t  ḥ r (TSSI III 16). Dit beeldje uit de 8e-7e eeuw v.C stamt zeker uit Cyprus of Fenicië zelf. De godin van Carambolo verwijst naar voorgangsters uit Ugarit: ’ t t r t  h r (KTU I 43,1) en uit Niniveh als Ishtar “hurriet” (IšDAR hur-rt = PRU IV p.230,1,6) met de egyptische versie ‘str hr. Ze werd toen als buitengewoon krachtig afgeschilderd en werd als godin genoemd te Sidon bij Hittietische rituelen vanaf de 13e eeuw v.C (Kbo II 9 I 4; 36 Vs 14).
Op het beeldje staat de volgende inscriptie:
Mṭn’ ’z p‘l b‘lytn bn d‘mlk w‘bdb‘l bn d‘mlk bn yšl l‘štrt ḥbry tnt k šm‘ ql db[r[nm =
Deze troon heeft Baalyaton gemaakt, zoon van dumilk en abdbaal, zoon van dumilk, zoon van Ysal(?) voor Astarte-Hurriet, onze dame, omdat zij de stem van zijn gebed heeft gehoord.


Sevilla:
---------
Buiten Fenicië is dit de oudste vindplaats in het westen van een spoor van Astarte. Hier staat een inscriptie op een bronzen beeldje, gevonden in de nabijgelegen plaats Carambolo en gewijd aan ‘ š t r t  ḥ r (TSSI III 16). Dit beeldje uit de 8e-7e eeuw v.C stamt zeker uit Cyprus of Fenicië zelf. De godin van Carambolo verwijst naar voorgangsters uit Ugarit: ’ t t r t  h r (KTU I 43,1) en uit Niniveh als Ishtar “hurriet” (IšDAR hur-rt = PRU IV p.230,1,6) met de egyptische versie ‘str hr. Ze werd toen als buitengewoon krachtig afgeschilderd en werd als godin genoemd te Sidon bij Hittietische rituelen vanaf de 13e eeuw v.C (Kbo II 9 I 4; 36 Vs 14).
Op het beeldje staat de volgende inscriptie:
Mṭn’ ’z p‘l b‘lytn bn d‘mlk w‘bdb‘l bn d‘mlk bn yšl l‘štrt ḥr rbtn k šm‘ ql db[r[nm =
Deze troon heeft Baalyaton gemaakt, zoon van dumilk en abdbaal, zoon van dumilk, zoon van Ysal(?) voor Astarte-Hurriet, onze dame, omdat zij de stem van zijn gebed heeft gehoord.

Sevilla & Astarte:
---------------------
Outside Phoenicia: This is the oldest site in the western world containing a trace of Astarte. Here is an inscription on a bronze statuette, found in the nearby city Carambolo and dedicated to ‘ š t r t ḥ r (TSSI III 16). This statue from the 8th-7th century BC certainly comes from Cyprus or Phoenicia itself. The goddess of Carambolo refers to predecessors from Ugarit ’ttrthr (KTU I 43.1) and from Nineveh as Ishtar " hurriet "(IšDAR hur-rt = PRU IV p.230,1,6) with the Egyptian version 'str hr . She was then depicted as extremely powerful and was named as goddess Sidon in Hittite rituals from the 13th century BC (Kbo II 9 I 4; 36 Vs 14).
The statuette has the following inscription according to most of the scholars:
Mṭn 'z p‘l b‘lytn bn d‘mlk w‘bdb‘l bn d‘mlk bn yšl l‘štrt ḥr rbtn k šm‘ ql db [r ]nm =
“This throne has made Baalyaton son of dumilk and abdbaal son of dumilk, son of Ysal (?) For Astarte-Hurriet, our lady, because she heard the voice of his prayer.”
However: Amadasi makes a slightly other translation.


Astarte en Byblos

Byblos:
--------- 
Volgens de inscriptie KAI 29 = TSSI III,20 is een ivoren kistje, gevonden te Ur, oorspronkelijk afkomstig uit Byblos, waar het werd opgedragen aan Astarte. Daarnaast is de godin Baalat Gebal een vorm van Astarte.

Byblos:
--------- 
Volgens de inscriptie KAI 29 = TSSI III,20 is een ivoren kistje, gevonden te Ur, oorspronkelijk afkomstig uit Byblos, waar het werd opgedragen aan Astarte. Daarnaast is de godin Baalat Gebal een vorm van Astarte.

Astarte and Byblos:
-----------------------
According to the inscription KAI 29 = TSSI III, 20 is an ivory casket, found at Ur, originally from Byblos, where it was dedicated to Astarte. In addition, the goddess Baalat Gebal is a form of Astarte.



Astarte en Tyrus

Tyrus:
-------
In de hellenistische period behoorde Astarte tot de triade Baal Shamim/Hadad – Astarte/Astéra – Melqart/Héraklès. Eerder wordt ze genoemd als As-tar-tu in het verdrag tussen Asarhaddon en Baal (7e eeuw v.C: AfO Beih.9.p.109), waarbij haar oorlogzuchtig aspect naar voren komt. Nog eerder bouwde Hiram I in de 10e eeuw v.C voor haar een nieuwe tempel samen met Héraklès-Melqart (Fl.Jos.A.J.VIII 145-146 = C.Ap.I 113-118). Ithobaal II was voor zijn troonsbestijging in de 9e eeuw v.C al een priester van Astarte (Fl.Jos.C.Ap I 123).Dichtbij Tyrus te Hirbet et-Tayibé bevindt zich een stenen troon, die gewijd was aan Astarte in haar heiligdom (KAI 17=TSSI III,30). In Umm el-Amed en Massub ten zuiden van Tyrus vinden we wijdingen voor Milkashtart (KAI 19 = TSSI III, 31).

Tyrus:
-------
In de hellenistische period behoorde Astarte tot de triade Baal Shamim/Hadad – Astarte/Astéra – Melqart/Héraklès. Eerder wordt ze genoemd als As-tar-tu in het verdrag tussen Asarhaddon en Baal (7e eeuw v.C: AfO Beih.9.p.109), waarbij haar oorlogzuchtig aspect naar voren komt. Nog eerder bouwde Hiram I in de 10e eeuw v.C voor haar een nieuwe tempel samen met Héraklès-Melqart (Fl.Jos.A.J.VIII 145-146 = C.Ap.I 113-118). Ithobaal II was voor zijn troonsbestijging in de 9e eeuw v.C al een priester van Astarte (Fl.Jos.C.Ap I 123).Dichtbij Tyrus te Hirbet et-Tayibé bevindt zich een stenen troon, die gewijd was aan Astarte in haar heiligdom (KAI 17=TSSI III,30). In Umm el-Amed en Massub ten zuiden van Tyrus vinden we wijdingen voor Milkashtart (KAI 19 = TSSI III, 31).

Astarte and Tyre:
---------------------
In the Hellenistic period Astarte belongs among the triad Baal Shamim / Hadad - Astarte / Astera - Melqart / Herakles. Previously she was termed as As-tar-tu in the treaty between Asarhaddon and Baal (7th century BC: AFO Beih.9.p.109) with its warlike aspect emerges. Previously Hiram I built in the 10th century BC for her a new temple with Herakles-Melqart as well (Fl.Jos.A.J.VIII C.Ap.I 145-146 = 113-118). Ithobaal II was for his enthronement in the 9th century BC, already a priest of Astarte (I Fl.Jos.C.Ap 123). Close to Tyre at Hirbet et Tayibe is a stone throne dedicated to Astarte in her sanctuary ( KAI 17 = TSSI III, 30). In Umm el-Amed and Massub south of Tyre, we find ordinations for Milkashtart (KAI = 19 TSSI III, 31).


Astarte en Sidon

Sidon:
-------
Astarte wordt als godin genoemd te Sidon door de bijbel (1Kon.12,5.33 en 2Kon.23.13). De koningen uit de 6e en 5e eeuw v.C (Ešmunazor I en Tabnit I) noemen zich ook priester van Astarte (KAI 13 = TSSI, III,27). De moeder van Ešmunazor II is Immi-Aštart en is een priesteres van Astarte (KAI 14 = TSSI, III 28, 14-15). Beiden laten voor de godin een tempel maken. Een tempel wordt opgericht in “Sidon van de Zee” en een andere noemt men “Astarte, naam van Baal” (šm b‘l). Zulk een vernoeming komt ook in Ugarit voor in de vervloeking van Keret (KTU I,16, VI,56). Een zegel wordt gewijd aan ‘ š t “in Sidon” (Bordreuil, Cataloque 80). Voor Lucophron in Syr.4 is de Astarte van Sidon te identificeren met Sélené. In de wijdingen van drie beeldjes van de tempel van Ešmun te Bostan esh-Sheik wordt Astarte genoemd aan de zijde van Ešmun (l ‘ š t r t  l ’ d n y  l ’ š m n) in 18 BMB 1965, p.106. Beide godheden hadden dus een gezamelijk heiligdom.

Astarte en Sidon:
---------------------
Astarte wordt als godin genoemd te Sidon door de bijbel (1Kon.12,5.33 en 2Kon.23.13). De koningen uit de 6e en 5e eeuw v.C (Ešmunazor I en Tabnit I) noemen zich ook priester van Astarte (KAI 13 = TSSI, III,27). De moeder van Ešmunazor II is Immi-Aštart en is een priesteres van Astarte (KAI 14 = TSSI, III 28, 14-15). Beiden laten voor de godin een tempel maken. Een tempel wordt opgericht in “Sidon van de Zee” en een andere noemt men “Astarte, naam van Baal” (šm b‘l). Zulk een vernoeming komt ook in Ugarit voor in de vervloeking van Keret (KTU I,16, VI,56). Een zegel wordt gewijd aan ‘ š t “in Sidon” (Bordreuil, Cataloque 80). Voor Lucophron in Syr.4 is de Astarte van Sidon te identificeren met Sélené. In de wijdingen van drie beeldjes van de tempel van Ešmun te Bostan esh-Sheik wordt Astarte genoemd aan de zijde van Ešmun (l ‘ š t r t  l ’ d n y  l ’ š m n) in 18 BMB 1965, p.106. Beide godheden hadden dus een gezamelijk heiligdom.

Astarte and Sidon:
---------------------
Astarte is called as goddess in Sidon by the Bible (1Kon.12,5.33 and 2Kon.23.13). The kings from the 6th and 5th centuries BC (Ešmunazor I and Tabnit I) also call himself a priest of Astarte (KAI = 13 TSSI, III, 27). The mother of Ešmunazor II is Immi-Aštart and she is a priestess of Astarte (KAI = 14 TSSI, III, 28, 14-15). Both allow for the goddess a temple built. One temple is founded in "Sidon to the Sea" and another is called "Astarte, the name of Baal" (šm b‘l). Such a naming also comes forward in Ugarit in the curse of Keret (KTU I, 16, VI, 56). A stamp is dedicated to ‘ š t  "in Sidon" (Bordreuil, cataloque 80).  Lucophron in Syr.4 identifies the Astarte of Sidon with Sélené. In the ordinations of three sculptures of the temple of Ešmun to Bostan esh-Sheik Astarte is mentioned alongside with Ešmun (l ‘ s t r t  l 'd n y l ’ s n) in 18 BMB 1965, p.106. Both deities therefore had a common sanctuary.



Astarte


ASTARTE
’ t t r t (ug), ‘ š t r t (fen), Astarte (gr) is een godin, die pas relatief laat in beeld komt in tegenstelling to haar mannelijke tegenhanger ’ t t r. Ze wordt voor de eerste keer genoemd in Egypte onder Aménophis II (1438-1412 v.C) met betrekking tot de bescherming van paarden (ANET p.244b). De Egyptenaren noemen haar Asiti (’-s-i-t’, ’ s t). tijdens Sethi I (1291-1279 v.C) en beschouwen haar als de Aziatische godin te paard. Dan duikt ze op te Ugarit als ’ t t r t  Ṣ w d (t) = Astarte de jageres (KTU 1.92.2), maar ook als godin van de liefde en de oorlog.

ASTARTE
’ t t r t (ug), ‘ š t r t (fen), Astarte (gr) is een godin, die pas relatief laat in beeld komt in tegenstelling to haar mannelijke tegenhanger ’ t t r. Ze wordt voor de eerste keer genoemd in Egypte onder Aménophis II (1438-1412 v.C) met betrekking tot de bescherming van paarden (ANET p.244b). De Egyptenaren noemen haar Asiti (’-s-i-t’, ’ s t) tijdens Sethi I (1291-1279 v.C) en beschouwen haar als de Aziatische godin te paard. Dan duikt ze op te Ugarit als ’ t t r t  Ṣ w d (t) = Astarte de jageres (KTU 1.92.2), maar ook als godin van de liefde en de oorlog.

ASTARTE
'T t r t (ug), ‘ š t r t (phoen), Astarte (greek) is a goddess who comes relatively late into the picture in contrast to her male counterpart ' t t r. She is mentioned for the first time in Egypt under Amenhotep II (1438-1412 BC) concerning the Protection of Horses (ANET p.244b). The Egyptians call her Asiti (’-s-i t’,  ' s t) during Sethi I (1291-1279 BC) and regard her as the Asian goddess on horseback. Then she shows up at Ugarit as ’ t t r t  Ṣ w d (t) = Astarte the huntress (KTU 1.92.2), but also as a goddess of love and war.



zaterdag 29 oktober 2016

ANAT


ANAT.
(H)anat (akkadisch), ‘nt (ugaritisch+fenicisch).
West-Semietische godin, die genoemd wordt bij het verschijnen van amorietische stammen rond 2000 v.C. Haar naam is identiek aan de naam van de stad (H)anat of ‘anat aan de midden-Eufraat en zij wordt verbonden met de stam van ‘Anah (KAI 202 = TSSI II,5 A2). In het akkadisch wordt deze stam ḥana genoemd in het 2e en 1e millennium v.C.
In de literatuur van Ugarit is Anat de lotgenoot van Baal, de god van het onweer. Zij wordt geacht de wolken te verzamelen, maar ook om de dauw te verspreiden, hetgeen aanleiding geeft om haar naam te verbinden aan het grondwoord ‘an, waar het zelfstandig naamwoord ‘anan = “wolk” vandaan komt. De cultus van Anat verspreidt zich in het 2e millennium v.C over grote delen van Syro-Palestina en Egypte. Zij blijft aanwezig tot aan de hellenistische periode in sommige fenicische kringen.
Bij het begin van de 7e eeuw v.C wordt de godin vereerd op Cyprus te Idalion (RES 453, 1210) en te Lapethos, waar zij geassimileerd is met Athene en de bijnaam “toevluchtsoord van de levenden” krijgt (= m‘z ḥym , KAI 42).
In Egypte wordt Anat geassimileerd met Isis. In Carthago en Hadrumetum komt ‘nt voor in een paar persoonsnamen (Benz, Names, p.382). Verder zien we Anat verschijnen in het verdrag van Baal I van Tyrus en Anat wordt ook genoemd in Elephantine (AP 22.125). In die laatste plaats komt tevens een Anat-Yahvé voor (AP 44.3). Bij Anatram van Delos (ID 2314) zijn we al wat verwijderd van de eigenlijke naam Anat. Wellicht komt de naam ook verscholen voor in:
- ‘wnt’dy bl = goddelijk kantoor van Bel (Palmyra RTP 37);
- ‘Atta’ zit in de naam Atargis (‘tr‘t’/b in aramees).
Literatuur:
- Dictionnaire de la civilisation Phénicienne et Punique, E.Lipinski, Brepols, 1992.
- I rapporti politici di Tiro con l’Assiria alla luce del trattato tra Assarhaddon e Baal, G.Pettinato, RSF III > Anati (M.35.9).

BK 86. De eerste heldendichten, Midden-Oosterse mythen door o.a. Piers Vitebsky, 1997.
blz 99: “Een ander belangrijk element in de cyclus is Baäl’s relatie met de godin Anat. Als zijn trouwe en slagvaardige zus steunde ze zijn eis om een paleis te mogen bouwen en redde ze hem uit de klauwen van de dood. Andere verbrokkelde teksten beschrijven in zeer erotische stijl haar als zijn geliefde.......”

BK 51. Near Eastern Mythology, John Gray, 1969+1982.
Blz 81: “The goddess proves her vitality by herding ‘young men’ into her temple and indulging in a bloodbath…. The bloody work done, the redoubtable goddess cleans and desanctifies the temple and with truly divine aplomb turns to her own toilet:
She scoops up water and washes,
Even dew of heaven, the fatness of the earth,
The rain of Him who mounts the Clouds.
The dew which is poured forth by the stars;
She beautifies herself with snailpurple,
Drawn from a thousand tracts of the sea.’
…….. the text may reflect the seasonal transition from the cult of Sea to that of Baal at the end of summer, the sea-faring season.”

BK 37. Phoenicia and the Phoenicians, Dimitri Baramki, Beirut 1961.
Blz 49: uit Obermann, Ugaritic Mythology: Hymns Invitation to Anat:
 ‘Ye (shall) put a gem on her breast:
As a token of the love of Aliyan Baal,
Of the loyal(ty)? Of Pidriya, daughter of Ar,
Of the devotion of Tilliya, daughter of Rabb,
Of the love of Arsiya, daughter of Ya’buddar,
Like stewards then do ye enter:
At the feet of Anat crouch ye and fall down,
Prostrate youselves and honor her.’
Blz 57: “Anat eventually arrived at the abode of the dead inside the earth and found the bdy of Aliyan (Baal). She carried it to heights of Saphon, where she buried hem, and sacrified to him. She then sought out Mot and implored to restore Aliyan to life, but he refused. She lay hold of Mot and killed him.”

ANAT.
(H)anat (akkadisch), ‘nt (ugaritisch+fenicisch).
West-Semietische godin, die genoemd wordt bij het verschijnen van amorietische stammen rond 2000 v.C. Haar naam is identiek aan de naam van de stad (H)anat of ‘anat aan de midden-Eufraat en zij wordt verbonden met de stam van ‘Anah (KAI 202 = TSSI II,5 A2). In het akkadisch wordt deze stam ḥana genoemd in het 2e en 1e millennium v.C.
In de literatuur van Ugarit is Anat de lotgenoot van Baal, de god van het onweer. Zij wordt geacht de wolken te verzamelen, maar ook om de dauw te verspreiden, hetgeen aanleiding geeft om haar naam te verbinden aan het grondwoord ‘an, waar het zelfstandig naamwoord ‘anan = “wolk” vandaan komt. De cultus van Anat verspreidt zich in het 2e millennium v.C over grote delen van Syro-Palestina en Egypte. Zij blijft aanwezig tot aan de hellenistische periode in sommige fenicische kringen.
Bij het begin van de 7e eeuw v.C wordt de godin vereerd op Cyprus te Idalion (RES 453, 1210) en te Lapethos, waar zij geassimileerd is met Athene en de bijnaam “toevluchtsoord van de levenden” krijgt (= m‘z ḥym , KAI 42).
In Egypte wordt Anat geassimileerd met Isis. In Carthago en Hadrumetum komt ‘nt voor in een paar persoonsnamen (Benz, Names, p.382). Verder zien we Anat verschijnen in het verdrag van Baal I van Tyrus en Anat wordt ook genoemd in Elephantine (AP 22.125). In die laatste plaats komt tevens een Anat-Yahvé voor (AP 44.3). Bij Anatram van Delos (ID 2314) zijn we al wat verwijderd van de eigenlijke naam Anat. Wellicht komt de naam ook verscholen voor in:
- ‘wnt’dy bl = goddelijk kantoor van Bel (Palmyra RTP 37);
- ‘Atta’ zit in de naam Atargis (‘tr‘t’/b in aramees).
Literatuur:
- Dictionnaire de la civilisation Phénicienne et Punique, E.Lipinski, Brepols, 1992.
- I rapporti politici di Tiro con l’Assiria alla luce del trattato tra Assarhaddon e Baal, G.Pettinato, RSF III > Anati (M.35.9).

BK 86. De eerste heldendichten, Midden-Oosterse mythen door o.a. Piers Vitebsky, 1997.
blz 99: “Een ander belangrijk element in de cyclus is Baäl’s relatie met de godin Anat. Als zijn trouwe en slagvaardige zus steunde ze zijn eis om een paleis te mogen bouwen en redde ze hem uit de klauwen van de dood. Andere verbrokkelde teksten beschrijven in zeer erotische stijl haar als zijn geliefde.......”

BK 51. Near Eastern Mythology, John Gray, 1969+1982.
Blz 81: “The goddess proves her vitality by herding ‘young men’ into her temple and indulging in a bloodbath…. The bloody work done, the redoubtable goddess cleans and desanctifies the temple and with truly divine aplomb turns to her own toilet:
She scoops up water and washes,
Even dew of heaven, the fatness of the earth,
The rain of Him who mounts the Clouds.
The dew which is poured forth by the stars;
She beautifies herself with snailpurple,
Drawn from a thousand tracts of the sea.’
…….. the text may reflect the seasonal transition from the cult of Sea to that of Baal at the end of summer, the sea-faring season.”

BK 37. Phoenicia and the Phoenicians, Dimitri Baramki, Beirut 1961.
Blz 49: uit Obermann, Ugaritic Mythology: Hymns Invitation to Anat:
 ‘Ye (shall) put a gem on her breast:
As a token of the love of Aliyan Baal,
Of the loyal(ty)? Of Pidriya, daughter of Ar,
Of the devotion of Tilliya, daughter of Rabb,
Of the love of Arsiya, daughter of Ya’buddar,
Like stewards then do ye enter:
At the feet of Anat crouch ye and fall down,
Prostrate youselves and honor her.’
Blz 57: “Anat eventually arrived at the abode of the dead inside the earth and found the bdy of Aliyan (Baal). She carried it to heights of Saphon, where she buried hem, and sacrified to him. She then sought out Mot and implored to restore Aliyan to life, but he refused. She lay hold of Mot and killed him.”

ANAT.
(H) anat (Akkadian), ‘nt (+ Ugaritic Phoenician).
West Semitic goddess, called upon the appearance of Amorite tribes around 2000 B.C. Her name is identical to the name of the city (H)anat or anat the mid-Euphrates and is connected to the tribe of  ‘Anah (KAI = 202 TSSI II, 5 A2). In Akkadian called this tribe ḥana in the 2nd and 1st millennium BC.
In the literature of Ugarit Anat is the companion of Baal, the god of thunder. She is supposed to gather the clouds, but also to spread the dew, giving rise to her name connected to the root word 'an, where the noun  ‘anan = "cloud" comes from. The cult of Anat spreads in the 2nd millennium B.C over large parts of Syro-Palestine and Egypt. It remains up to the Hellenistic period in some Phoenician circles.
At the beginning of the 7th century BC, the goddess worshiped in Cyprus at Idalion (RES 453, 1210) and Lapethos, where she is getting assimilated with Athena and gets the nickname "refuge of the living" (= m'z hym, KAI 42).
In Egypt Anat assimilated with Isis. In Carthage and Hadrumetum is ‘nt used for a few personal names (Benz, Names, p.382). Furthermore, we see Anat in the treaty of Baal I of Tyre and Anat is also mentioned in Elephantine (AP 22 125). In the latter location will also be an Anat-for Yahvé (AP 44.3). When Anatram of Delos (ID 2314) appeared, we have already removed somewhat away of the actual name Anat. Perhaps the name is also tucked in for:
- 'Wnt'dy bl = divine office, call (RTP Palmyra 37);
- 'Atta' is in the name Atargis (tr't '/ b in Aramaic).
Literature:
- Dictionnaire de la civilization Phénicienne et Punique, E.Lipinski, Brepols, 1992.
- I rapporti politicians di Tiro con l'Assiria alla luce del trattato tra Assarhaddon e Baal G.Pettinato, RSF III> Anati (M.35.9).

BK 86. The first epics, Middle Eastern myths by Piers Vitebsky, 1997.
P. 99: "Another important element in the cycle is Baal's relationship with the goddess Anat. As his loyal and decisive sister she supported his demand to be allowed to build a palace and saved him from the clutches of death. Other texts describe fragmented in very erotic style her as his lover ....... "

BK 51. Near Eastern Mythology, John Gray, 1969+1982.
p. 81: “The goddess proves her vitality by herding ‘young men’ into her temple and indulging in a bloodbath…. The bloody work done, the redoubtable goddess cleans and desanctifies the temple and with truly divine aplomb turns to her own toilet:
She scoops up water and washes,
Even dew of heaven, the fatness of the earth,
The rain of Him who mounts the Clouds.
The dew which is poured forth by the stars;
She beautifies herself with snailpurple,
Drawn from a thousand tracts of the sea.’
…….. the text may reflect the seasonal transition from the cult of Sea to that of Baal at the end of summer, the sea-faring season.”

BK 37. Phoenicia and the Phoenicians, Dimitri Baramki, Beirut 1961.
p. 49: uit Obermann, Ugaritic Mythology: Hymns Invitation to Anat:
 ‘Ye (shall) put a gem on her breast:
As a token of the love of Aliyan Baal,
Of the loyal(ty)? Of Pidriya, daughter of Ar,
Of the devotion of Tilliya, daughter of Rabb,
Of the love of Arsiya, daughter of Ya’buddar,
Like stewards then do ye enter:
At the feet of Anat crouch ye and fall down,
Prostrate youselves and honor her.’
p. 57: “Anat eventually arrived at the abode of the dead inside the earth and found the body of Aliyan (Baal). She carried it to heights of Saphon, where she buried hem, and sacrified to him. She then sought out Mot and implored to restore Aliyan to life, but he refused. She lay hold of Mot and killed him.”







AMON

AMON.
Dit is geen fenicische godheid, maar hij werd wel aanbeden door de Feniciërs. ’Imn (egyptisch), ’mn (fenicisch), ’Amon (hebreeuws), Amanu/Amunu (akkadisch), Amon (grieks). Amon was de lokale godheid van Thebe in Boven-Egypte en werd tijdens het Nieuwe Rijk de hoogste godheid van Egypte. Hij werd geassimileerd met de zonnegod Ré onder de naam Amon-Ré. Zijn heilige dier was het schaap. Amon werd ook de grote god van de 21e dynastie tussen 1070 en 945 v.C, waarvan de regering in Tanis in de Nijldelta samenvalt met de oudste getuigenissen van de cultus in Fenicië, zoals bijvoorbeeld naar voren komt in het reisverslag van Wen Amon. De fenicische schaal van Tekké op Kreta (10e eeuw v.C) is aan Amon gewijd. Zijn naam komt ook voor in fenicische persoonsnamen en dat geldt ook voor Ré, zoals ‘bdr‘ en r‘mlk. Sommige Feniciërs uit Egypte hebben Amon en/of Réook in hun namen opgenomen (inscripties CIS I, 3778; 5789). Hun namen staan gegraveerd op scarabee’s, die gevonden zijn in fenicische en punische plaatsen. In de latere tijden en tijdens de Grieks/Romeinse periode speelt het heiligdom van Zeus Ammon in de oase van Siwa een internationale rol van betekenis.
Literatuur:
- A.Lemaire, Divinités égyptiennes dans l’onomastique phénicienne, St.Phoen.4 (1980) p.87-98.
- E.Lipinski e.a. : Dictionnaire de la civilisation Phénicienne et Punique, Brepols, Leuven, 1992.

AMON.
Dit is geen fenicische godheid, maar hij werd wel aanbeden door de Feniciërs. ’Imn (egyptisch), ’mn (fenicisch), ’Amon (hebreeuws), Amanu/Amunu (akkadisch), Amon (grieks). Amon was de lokale godheid van Thebe in Boven-Egypte en werd tijdens het Nieuwe Rijk de hoogste godheid van Egypte. Hij werd geassimileerd met de zonnegod Ré onder de naam Amon-Ré. Zijn heilige dier was het schaap. Amon werd ook de grote god van de 21e dynastie tussen 1070 en 945 v.C, waarvan de regering in Tanis in de Nijldelta samenvalt met de oudste getuigenissen van de cultus in Fenicië, zoals bijvoorbeeld naar voren komt in het reisverslag van Wen Amon. De fenicische schaal van Tekké op Kreta (10e eeuw v.C) is aan Amon gewijd. Zijn naam komt ook voor in fenicische persoonsnamen en dat geldt ook voor Ré, zoals ‘bdr‘ en r‘mlk. Sommige Feniciërs uit Egypte hebben Amon en/of Ré ook in hun namen opgenomen (inscripties CIS I, 3778; 5789). Hun namen staan gegraveerd op scarabee’s, die gevonden zijn in fenicische en punische plaatsen. In de latere tijden en tijdens de Grieks/Romeinse periode speelt het heiligdom van Zeus Ammon in de oase van Siwa een internationale rol van betekenis.
Literatuur:
- A.Lemaire, Divinités égyptiennes dans l’onomastique phénicienne, St.Phoen.4 (1980) p.87-98.
- E.Lipinski e.a. : Dictionnaire de la civilisation Phénicienne et Punique, Brepols, Leuven, 1992.

AMON.
This is not a Phoenician deity, but became worshiped by the Phoenicians. ’IMN (Egyptian), ’mn (Phoenician), ’Amon (Hebrew), Amanu / Amunu (Akkadian), Amon (Greek). Amon was the local deity of Thebes in Upper Egypt during the New Kingdom of Egypt and became the highest deity. He was assimilated with the sun god Ré under the name Amon-Ré. His sacred animal was a sheep. Amon was the great god of the 21st dynasty between 1070 and 945 BC, whose government at Tanis in the Nile Delta coincides with the oldest testimonies of the cult in Phoenicia, such as reflected in the travel report of Wen Amon. The Phoenician plate of Tekké in Crete (10th century v.C) is dedicated to Amon. His name also appears in Phoenician personal names and so is Ré, such as ‘BDR‘ and r‘mlk. Some Phoenicians from Egypt took Amun and / or Ré also in their names (CIS inscriptions I, 3778; 5789). Their names are engraved on scarabs, found in Phoenician and Punic sites. In later times, and during the Greek / Roman period plays the sanctuary of Zeus Ammon in the oasis of Siwa an international role.
Literature:
- A.Lemaire, Divinités Egyptiennes dans l'onomastique phénicienne, St.Phoen.4 (1980) p.87-98.
- E.Lipinski et al: Dictionnaire de la civilization Phénicienne et Punique, Brepols, Leuven, 1992.



ADONIS


ADONIS

Inleiding:
Deze naam is een grieks-latijnse godennaam en tot stand gekomen door het woord ’adoni te gebruiken van de noordwest-Semietische culten = heer. Het werd reeds gebruikt als een goddelijke toevoeging in het 3e millennium v.C. Het is het zelfstandig naamwoord ’adanu > ’adon, dat voorzien werd van het achtervoegsel –iy / -î voor de eerste persoon enkelvoud = mijn heer. We komen het als zodanig tegen in aanroepende formules van de Papyrus Amherst 63, kolom 12 (13). In de semietische teksten verwijst het niet naar een of andere godheid in het bijzonder, behalve in joodse overleveringen, waar het meervoud van majesteit ’Adonay letterlijk “mijne heren” betekent en een surrogaat is voor de onuitsprekelijke naam van Yahvé.
The world of the Phoenicians, Sabatino Moscati in a translation by Alastair Hamilton:
p.58: The third god of Byblos, Adonis, is only given this name by the Greek authors. The name, however, is obviously Semitic – adon = ‘master’, and the pronominal suffix, -î, ‘my master’. The same Greek sources present the figure of a young god who dies and resurrected. He expresses the animal death and rebirth of earthly vegetation and is thereby connected with the figure of the mother goddess in the cult and the myth …………
The Greek myth is an obvious repetition of the ancient Oriental myth of Dumuzi, Tammuz, Osiris, Telipinu, Baal, …………….
p.65: The sanctuary  of Aphka was in the Lebanese mountains at the source of the river Adonis, now Nahr Ibrahim. Offerings to Astarte were cast into a bowl…………..
As the river neared the sea the riverwater occasionally turned in reddish colour. Lucian relates that according to the faithful the red was the blood of Adonis……………………

Griekse mythologie:
Adonis is hierin de held, die bemind wordt door Aphrodite. Hij blijkt de zoon te zijn van verschillende personen volgens evenzovele overleveringen. Afhankelijk van de bron zijn dat Cinyras en Myrrha, of van Phoenix en Alphesiboea, of van Cinyras en Methaene, of van Théas en Myrrha. Om zijn schoonheid te bewaren verborg Aphrodite hem in een korf, die ze aan Persephoné toevertrouwde. Toen hij op de jacht door een wild zwijn gedood was, verkreeg Aphrodité gedaan, dat hij slechts de helft van het jaar bij Persephoné in de onderwereld behoefde te blijven, de andere helft van het jaar brengt hij bij de goden door op de Olympus. Uit zijn bloed ontstond de tedere en kort bloeiende anemoon. Een versie van het verhaal houdt in, dat Persephoné Adonis niet meer wil teruggeven. Toen besliste Zeus, dat Adonis een derde van het jaar bij Aphrodite en een derde van het jaar bij Persephoné zou blijven, terwijl hij over een derde van het jaar vrij zou kunnen beschikken. Adonis verkoos ook die tijd met Aphrodité door te brengen.

Oorsprong en aard:
De mythe heeft echter ondanks de griekse hoge vlucht een semietische oorsprong en wel duidelijk fenicisch. De naam komt dan ook van ’dn = heer, hetgeen een toevoegsel is voor koningen en goden. Hij wordt geidentificeerd als Osiris en Dumuzi/Tammuz volgens diverse bronnen in latere tijden. Waar stond de godheid eigenlijk voor? Daar circuleren verschillende meningen over, zoals ‘geest van de vegetatie’, ‘stervende god’, ‘agrarisch karakter’, ‘Ešmoen’, ‘parfum als attribuut’, ‘de mislukte jager’. De oorsprong is echter duidelijk fenicisch met een godheid, die sterft en toch weer komt tot een wederopstanding. Adon wordt echter in de loop der tijd totaal vergriekst, waarbij hij als Adonis mysterieuze culten en hele tuinen krijgt bijgevoegd.

Adonis-feesten:
In Griekenland werden feesten in de hoogzomer gehouden ter ere van Adonis, Deze veelal orgiastische feesten eindigden met klaagzangen over de dood van de held. In Athene werd in de 5e eeuw v.C het feest georganiseerd door vrouwen op de daken van de huizen. In Alexandrië werd in de 3e eeuw na Chr. het feest in het koninklijk paleis gevierd in aanwezigheid van de koningin als het schijnbeeld van Adonis. In Byblos werd in de keizertijd een Adonis vereerd tijdens openbare feesten, waaraan ook mannen deelnamen. Hieraan werd de heilige prostitutie van de vrouwen gekoppeld. Na de klaagzangen over de dood van de helden volgden hier echter vreugdevolle liederen over de wederopstanding (égersis). In al deze plaatsen werden speciale Adonis-tuinen aangelegd.
Ammianus Marcellinus schrijft over het festival van Adonis in Byblos in de 4e eeuw v.C het volgende: “Bij de dood van koning Grumbates tegen de Perzen tijdens Constantijn (337-361 na Chr) wordt een begrafenisceremonie gehouden: de vrouwen beklagen zich luid over de hoop van de natie, die neergemaaid werden in de bloem van hun jeugd, terwijl zij zich kommervol en huilend op de gebruikelijke manier op de borst slaan. Net zoals de priesteressen van Venus worden gezien in het treuren bij het jaarlijkse festival van Adonis, dat, zoals de mystieke kennis van de religie ons verteld, een soort symbool is van rijpend graan.”

Syro-fenicische cultus:
De ontdekking van een tempel voor Adonis te Dura-Eurropos geeft inzicht in de cultus in het semietische milieu. Deze tempel is voorzien van een lange toegang (54m lang en 8-11m breed). De eigenlijke tempel bestaat uit een boog over de ‘naos’, geflankeerd door 2 kamers. Daarnaast staat een tempel van Atargis en ook zijn er nog 9 aparte zalen, waar de ‘thiases’(=Marzeh) bijeenkwamen. Geen enkele andere tempel bevat hier zoveel ruimtes voor de heilige banketten.
In 181/182 na Chr. worden een zuilengalerij en een provisiekamer toegevoegd aan het tempelcomplex, hetgeen er op wijst, dat het een onderdeel vormt voor de heilige maaltijden. De wijding vind plaats door 2 personen, een met een arabische naam Solaios en een met arameese naam Gornaios (zoon van de hogepriester en tevens ‘desmophulax’). Dat laatste is een titel voor een heilige functionaris voor de cultus van Adonis.Dit soort wijding ging niet gepaard met offers, want in het hele tempelcomplex is geen enkel altaar aangetroffen. Adonis blijkt in Dura-Europos een agrarisch getinte godheid te zijn en daarbinnen speciaal een wijnngod. Op andere plaatsen beschikt Adonis over tuinen, die voorzien zijn van taveernes, waar de wijn gedronken wordt. Soms beschikt hij zelfs over een heilig bos, zoals te Bethléem: “Bethleem lucus adumbrat Thamuz, id est Adonidis” (Jér., Ep. 58,3).

Punische cultus:
Deze wordt in Noord-Afrika aangetroffen in de Romeinse periode. Een ‘sacerdos Adonis’ wordt genoemd in een inscriptie uit Béchateur (Thisi, IL Tun I 1188) en uit een wijding uit de omgeving van Nepheris vanuit de jaren 198 en 209 na Chr., die begint met de woorden “Adoni Aug(usto) sac(rum)” (CIL.VIII, 24031). Deze titel refereert niet aan de Syro-fenicische Adonis, maar gewoon aan Baal Hamon (afrikaanse Saturnus).

De Adonis van Byblos:
Byblos et la fête des Adonis, Brigitte Soyez, Leiden, E.J.Brill 1977.
Les fêtes adonidiennes apparaissent, au terme de cet ouvrage, comme le noyau de vie cultuelle giblite. Sans remettre en cause la définition même du mythe, la question de la date des Adonies nous a permis d’ébaucher leur origine à la fois historique et poétique, les conditions qu’elles nécessitaient et la manière dont elles se déroulaient.
 J’insisterai davantage, pour finir, sur la notion de couple qu’impose la présence, à la tête du panthéon local, de deux divinités cardinales, Adonis et Ba‘alat. Cette dualité est loin, en fait, d’être un phénomène unique. Si l’on accepte le cas de Béryte, dont les cultes sont largement calqués sur la croyances syriennes et, plus spécifiquement héliopotaines, Sidon et Tyr connaissent, elles aussi, la dyade.
Tout porte donc à croire, qu’il faut chercher ailleurs qu’en Phénicie les origines de la trinité dont les Syriens firent au contraire grand usage. Les panthéons côtiers, en profonde mutation à partir de la période hellénistique, sont unanimement fidèles à la fécondité ancestrale, symbolisée par l’une ou l’autre forme d’Astarte. Mais à ses cotés une entité nouvellement créeé. Que l’on peut qualifier de dieu jeune, a supplanté Ba‘al.
Nous entrevoyons là une révolution commune dans la mentalité religieuse du temps ; une continuité existe puisqu’Adonis est devenu, au même titre qu’Eshmun et que Melqart, la dépositaire de la fertilité vitale de la nature, mais on devine, davantage encore, la marque d’une ouverture car l’inquiétude enracinée dans la personnalité de Ba‘al disparaît peu à peu avec la naissance d’espoir auquel participent les divers avatars de l’Adonis giblite. La perspective divine s’est, en somme, élargie. La peur fait place à l’espérance ; la salut est tout proche et la moisson ne cessera jamais d’être abondante.

Literatuur :
- E.Lipinski, Dictionnaire de la civilisation Phénicienne et Punique, Brepols, Leuven 1992.
- W.Atallah, Adonis dans la littérature et l’art grecs, Paris 1966.
- G.Piccaluga, Adonis e i profumi di un certo strutturalismo, Maia n.s.26 (1974).
Adonis, i cacciatori falliti e l’avvento dell’agricoltura, Il mito greca, Roma 1977, p.33-48.
- B.Soyez, Byblos et la fête des Adonies, Leiden 1977.
- S.Ribinchini, Adonis, Aspetti ‘orientali’ di un mito greco, Roma 1981.
Adonis. Relazioni del Colloquio in Roma (1981), Roma 1984.
- G.J.Baudy, Adonisgärten. Studien zur antiken Samensymbolik, Königstein, 1986.
- M.J.Rostovtzelf + F.E.Brown + C.B.Welles, The Excavations at Dura-Europos, Preliminary Report of the Seventh and Eight Seasons of Work 1933-1934 and 1934-1935. New Haven 1939.
- F.Cumoni, Les desmophulax d’Adonis, Syria 22 (1941). P.292-295.
J.T.Milik, Dédicaces faites par des dieux (Palmyre, Hatra, Tyr) et des thiases sémitiques à l’époque romaine, Paris 1972, p.142, 204-205.
- J.Toutain, Bulletin de la societé nationale des Antiquaires de France 1915, p.269-299 + BAC 1918 p.CLXX – CLXXII.
- Sabatino Moscati, The world of the Phoenicians.
- G.E.Markoe, Phoenicians, Berkely, 2000.
- C.R.Krahmalkov, Phoenician-Punic Dictionary, Leuven 2000.





ADONIS

Inleiding:
Deze naam is een grieks-latijnse godennaam en tot stand gekomen door het woord ’adoni te gebruiken van de noordwest-Semietische culten = heer. Het werd reeds gebruikt als een goddelijke toevoeging in het 3e millennium v.C. Het is het zelfstandig naamwoord ’adanu > ’adon, dat voorzien werd van het achtervoegsel –iy / -î voor de eerste persoon enkelvoud = mijn heer. We komen het als zodanig tegen in aanroepende formules van de Papyrus Amherst 63, kolom 12 (13). In de semietische teksten verwijst het niet naar een of andere godheid in het bijzonder, behalve in joodse overleveringen, waar het meervoud van majesteit ’Adonay letterlijk “mijne heren” betekent en een surrogaat is voor de onuitsprekelijke naam van Yahvé.
The world of the Phoenicians, Sabatino Moscati in a translation by Alastair Hamilton:
p.58: The third god of Byblos, Adonis, is only given this name by the Greek authors. The name, however, is obviously Semitic – adon = ‘master’, and the pronominal suffix, -î, ‘my master’. The same Greek sources present the figure of a young god who dies and resurrected. He expresses the animal death and rebirth of earthly vegetation and is thereby connected with the figure of the mother goddess in the cult and the myth …………
The Greek myth is an obvious repetition of the ancient Oriental myth of Dumuzi, Tammuz, Osiris, Telipinu, Baal, …………….
p.65: The sanctuary  of Aphka was in the Lebanese mountains at the source of the river Adonis, now Nahr Ibrahim. Offerings to Astarte were cast into a bowl…………..
As the river neared the sea the riverwater occasionally turned in reddish colour. Lucian relates that according to the faithful the red was the blood of Adonis……………………

Griekse mythologie:
Adonis is hierin de held, die bemind wordt door Aphrodite. Hij blijkt de zoon te zijn van verschillende personen volgens evenzovele overleveringen. Afhankelijk van de bron zijn dat Cinyras en Myrrha, of van Phoenix en Alphesiboea, of van Cinyras en Methaene, of van Théas en Myrrha. Om zijn schoonheid te bewaren verborg Aphrodite hem in een korf, die ze aan Persephoné toevertrouwde. Toen hij op de jacht door een wild zwijn gedood was, verkreeg Aphrodité gedaan, dat hij slechts de helft van het jaar bij Persephoné in de onderwereld behoefde te blijven, de andere helft van het jaar brengt hij bij de goden door op de Olympus. Uit zijn bloed ontstond de tedere en kort bloeiende anemoon. Een versie van het verhaal houdt in, dat Persephoné Adonis niet meer wil teruggeven. Toen besliste Zeus, dat Adonis een derde van het jaar bij Aphrodite en een derde van het jaar bij Persephoné zou blijven, terwijl hij over een derde van het jaar vrij zou kunnen beschikken. Adonis verkoos ook die tijd met Aphrodité door te brengen.

Oorsprong en aard:
De mythe heeft echter ondanks de griekse hoge vlucht een semietische oorsprong en wel duidelijk fenicisch. De naam komt dan ook van ’dn = heer, hetgeen een toevoegsel is voor koningen en goden. Hij wordt geidentificeerd als Osiris en Dumuzi/Tammuz volgens diverse bronnen in latere tijden. Waar stond de godheid eigenlijk voor? Daar circuleren verschillende meningen over, zoals ‘geest van de vegetatie’, ‘stervende god’, ‘agrarisch karakter’, ‘Ešmoen’, ‘parfum als attribuut’, ‘de mislukte jager’. De oorsprong is echter duidelijk fenicisch met een godheid, die sterft en toch weer komt tot een wederopstanding. Adon wordt echter in de loop der tijd totaal vergriekst, waarbij hij als Adonis mysterieuze culten en hele tuinen krijgt bijgevoegd.

Adonis-feesten:
In Griekenland werden feesten in de hoogzomer gehouden ter ere van Adonis, Deze veelal orgiastische feesten eindigden met klaagzangen over de dood van de held. In Athene werd in de 5e eeuw v.C het feest georganiseerd door vrouwen op de daken van de huizen. In Alexandrië werd in de 3e eeuw na Chr. het feest in het koninklijk paleis gevierd in aanwezigheid van de koningin als het schijnbeeld van Adonis. In Byblos werd in de keizertijd een Adonis vereerd tijdens openbare feesten, waaraan ook mannen deelnamen. Hieraan werd de heilige prostitutie van de vrouwen gekoppeld. Na de klaagzangen over de dood van de helden volgden hier echter vreugdevolle liederen over de wederopstanding (égersis). In al deze plaatsen werden speciale Adonis-tuinen aangelegd.
Ammianus Marcellinus schrijft over het festival van Adonis in Byblos in de 4e eeuw v.C het volgende: “Bij de dood van koning Grumbates tegen de Perzen tijdens Constantijn (337-361 na Chr) wordt een begrafenisceremonie gehouden: de vrouwen beklagen zich luid over de hoop van de natie, die neergemaaid werden in de bloem van hun jeugd, terwijl zij zich kommervol en huilend op de gebruikelijke manier op de borst slaan. Net zoals de priesteressen van Venus worden gezien in het treuren bij het jaarlijkse festival van Adonis, dat, zoals de mystieke kennis van de religie ons verteld, een soort symbool is van rijpend graan.”

Syro-fenicische cultus:
De ontdekking van een tempel voor Adonis te Dura-Eurropos geeft inzicht in de cultus in het semietische milieu. Deze tempel is voorzien van een lange toegang (54m lang en 8-11m breed). De eigenlijke tempel bestaat uit een boog over de ‘naos’, geflankeerd door 2 kamers. Daarnaast staat een tempel van Atargis en ook zijn er nog 9 aparte zalen, waar de ‘thiases’(=Marzeh) bijeenkwamen. Geen enkele andere tempel bevat hier zoveel ruimtes voor de heilige banketten.
In 181/182 na Chr. worden een zuilengalerij en een provisiekamer toegevoegd aan het tempelcomplex, hetgeen er op wijst, dat het een onderdeel vormt voor de heilige maaltijden. De wijding vind plaats door 2 personen, een met een arabische naam Solaios en een met arameese naam Gornaios (zoon van de hogepriester en tevens ‘desmophulax’). Dat laatste is een titel voor een heilige functionaris voor de cultus van Adonis. Dit soort wijding ging niet gepaard met offers, want in het hele tempelcomplex is geen enkel altaar aangetroffen. Adonis blijkt in Dura-Europos een agrarisch getinte godheid te zijn en daarbinnen speciaal een wijngod. Op andere plaatsen beschikt Adonis over tuinen, die voorzien zijn van taveernes, waar de wijn gedronken wordt. Soms beschikt hij zelfs over een heilig bos, zoals te Bethléem: “Bethleem lucus adumbrat Thamuz, id est Adonidis” (Jér., Ep. 58,3).

Punische cultus:
Deze wordt in Noord-Afrika aangetroffen in de Romeinse periode. Een ‘sacerdos Adonis’ wordt genoemd in een inscriptie uit Béchateur (Thisi, IL Tun I 1188) en uit een wijding uit de omgeving van Nepheris vanuit de jaren 198 en 209 na Chr., die begint met de woorden “Adoni Aug(usto) sac(rum)” (CIL.VIII, 24031). Deze titel refereert niet aan de Syro-fenicische Adonis, maar gewoon aan Baal Hamon (afrikaanse Saturnus).

De Adonis van Byblos:
Byblos et la fête des Adonis, Brigitte Soyez, Leiden, E.J.Brill 1977.
Les fêtes adonidiennes apparaissent, au terme de cet ouvrage, comme le noyau de vie cultuelle giblite. Sans remettre en cause la définition même du mythe, la question de la date des Adonies nous a permis d’ébaucher leur origine à la fois historique et poétique, les conditions qu’elles nécessitaient et la manière dont elles se déroulaient.
 J’insisterai davantage, pour finir, sur la notion de couple qu’impose la présence, à la tête du panthéon local, de deux divinités cardinales, Adonis et Ba‘alat. Cette dualité est loin, en fait, d’être un phénomène unique. Si l’on accepte le cas de Béryte, dont les cultes sont largement calqués sur la croyances syriennes et, plus spécifiquement héliopotaines, Sidon et Tyr connaissent, elles aussi, la dyade.
Tout porte donc à croire, qu’il faut chercher ailleurs qu’en Phénicie les origines de la trinité dont les Syriens firent au contraire grand usage. Les panthéons côtiers, en profonde mutation à partir de la période hellénistique, sont unanimement fidèles à la fécondité ancestrale, symbolisée par l’une ou l’autre forme d’Astarte. Mais à ses cotés une entité nouvellement créeé. Que l’on peut qualifier de dieu jeune, a supplanté Ba‘al.
Nous entrevoyons là une révolution commune dans la mentalité religieuse du temps ; une continuité existe puisqu’Adonis est devenu, au même titre qu’Eshmun et que Melqart, la dépositaire de la fertilité vitale de la nature, mais on devine, davantage encore, la marque d’une ouverture car l’inquiétude enracinée dans la personnalité de Ba‘al disparaît peu à peu avec la naissance d’espoir auquel participent les divers avatars de l’Adonis giblite. La perspective divine s’est, en somme, élargie. La peur fait place à l’espérance ; la salut est tout proche et la moisson ne cessera jamais d’être abondante.

Literatuur :
- E,Lipinski, Dictionnaire de la civilisation Phénicienne et Punique, Brepols, Leuven 1992.
- W.Atallah, Adonis dans la littérature et l’art grecs, Paris 1966.
- G.Piccaluga, Adonis e i profumi di un certo strutturalismo, Maia n.s.26 (1974).
Adonis, i cacciatori falliti e l’avvento dell’agricoltura, Il mito greca, Roma 1977, p.33-48.
- B.Soyez, Byblos et la fête des Adonies, Leiden 1977.
- S.Ribinchini, Adonis, Aspetti ‘orientali’ di un mito greco, Roma 1981.
Adonis. Relazioni del Colloquio in Roma (1981), Roma 1984.
- G.J.Baudy, Adonisgärten. Studien zur antiken Samensymbolik, Königstein, 1986.
- M.J.Rostovtzelf + F.E.Brown + C.B.Welles, The Excavations at Dura-Europos, Preliminary Report of the Seventh and Eight Seasons of Work 1933-1934 and 1934-1935. New Haven 1939.
- F.Cumoni, Les desmophulax d’Adonis, Syria 22 (1941). P.292-295.
J.T.Milik, Dédicaces faites par des dieux (Palmyre, Hatra, Tyr) et des thiases sémitiques à l’époque romaine, Paris 1972, p.142, 204-205.
- J.Toutain, Bulletin de la societé nationale des Antiquaires de France 1915, p.269-299 + BAC 1918 p.CLXX – CLXXII.
- Sabatino Moscati, The world of the Phoenicians.
- G.E.Markoe, Phoenicians, Berkely, 2000.
- C.R.Krahmalkov, Phoenician-Punic Dictionary, Leuven 2000.



ADONIS

Introduction:
This name is a Greek-Latin Gods name and established by using the word ’adoni of the Northwest Semitic cults = Mr. It was already used as a divine addition in the 3rd millennium BC. It is the noun 'adanu> adon, which was completed with the suffix -iy / -i for the first person singular = my lord. We come as such against the calling in of the formulas Papyrus Amherst 63, column 12 (13). In the Semitic texts it does not refer to any deity in particular, except in Jewish traditions, where the plural of majesty "Adonay literally " gentlemen " and means a substitute for the ineffable name of Yahvé.

The world of the Phoenicians, Sabatino Moscati in a translation by Alastair Hamilton:
p.58: The third god of Byblos, Adonis, is only given this name by the Greek authors. The name, however, is obviously Semitic – adon = ‘master’, and the pronominal suffix, -î, ‘my master’. The same Greek sources present the figure of a young god who dies and resurrected. He expresses the animal death and rebirth of earthly vegetation and is thereby connected with the figure of the mother goddess in the cult and the myth …………
The Greek myth is an obvious repetition of the ancient Oriental myth of Dumuzi, Tammuz, Osiris, Telipinu, Baal, …………….
p.65: The sanctuary  of Aphka was in the Lebanese mountains at the source of the river Adonis, now Nahr Ibrahim. Offerings to Astarte were cast into a bowl…………..
As the river neared the sea the riverwater occasionally turned in reddish colour. Lucian relates that according to the faithful the red was the blood of Adonis……………………




ADONIS (part 2).

Greek mythology:
Adonis, the hero, who is loved by Aphrodite. He turns out to be the son of different people claimed so many traditions. Depending on the source that are: Cinyras and Myrrha, or Phoenix and Alphesiboea, or Cinyras and Methaene, or Théas and Myrrha. To preserve its beauty Aphrodite hid him in a basket, which she entrusted to Persephone. When he was on the hunt he was slain by a wild boar. Aphrodite obtained done, that he only half of the year with Persephone need to stay in the underworld, the other half of the year, he lived with the gods on Olympus. His blood began the tender and short blooming anemone. A version of the story implies that Perséphone Adonis does not want to return. When Zeus decided that Adonis would remain one third of the year with Aphrodite and one third of the year with Persephone, while he could freely dispose of a third of the year. Adonis also chose to spend that time with Aphrodite.

Origin and nature:
However, the myth, despite the Greek booming, is of Semitic origin and obvious Phoenician. The name also comes from 'dn = gentleman, which is an additive for kings and gods. He is identified as Osiris and Dumuzi / Tammuz according to several sources in later times. Where the deity was actually for? There circulate different opinions about such as: "spirit of vegetation, '' dying god ',' agrarian character”, '' Ešmoen '', “perfume as an attribute," "the failed hunter”. The origin is clearly a Phoenician god who dies and yet comes back to a resurrection. Adon is, however, in the course of time, a total Greek transformation, wherein he as Adonis mysterious cults and whole gardens gets attached.

Adonis festivals:
In Greece were partying in high summer in honour of Adonis, this often ended in orgiastic celebrations with lamentations about the death of the hero. In Athens in the 5th century BC the party was organized by women on the roofs of the houses. Alexandria was in the 3rd century AD the festival celebrated in the royal palace in the presence of the Queen as the Adonis simulacrum. In Byblos was honoured an Adonis in the imperial period during public celebrations, to which men also took part. To this holy prostitution of the women were linked. After the lamentations about the death of the heroes followed however joyful songs about the resurrection (égersis). In all these places special Adonis gardens were laid out.
Ammianus Marcellinus writes about the festival of Adonis at Byblos in the 4th century BC that "The death of King Grumbates against the Persians during Constantine (337-361 AD) a funeral ceremony is held: the women complain loudly about hope of the nation, which mowed down in the flower of their youth were, while they beat their woeful and crying in the usual way on the chest. Just as the priestesses of Venus were seen in grieving at the annual festival of Adonis, that, as the mystical knowledge of religion tells us, is a kind of symbol of ripening grain. "

ADONIS (part 3).
Syro-Phoenician cult:
The discovery of a temple to Adonis to Dura-Eurropos provides insight into the cult in the Semitic environment. This temple has a long access (54m long and 8-11m wide). The actual temple consists of an arc about the "naos", flanked by two rooms. In addition, a temple of Atargis and there are 9 separate rooms, where the 'thiases' (= Marzeh) met. No other temple here has so many rooms for sacred banquets.
In 181/182 AD a colonnade and a pantry was added to the temple complex, which indicates that it is a part of the sacred meals. The ordination will take place by two people, one with an Arabic name Solaios and with Aramaic name Gornaios (son of the high priest and also 'desmophulax). The latter is a title for a holy officer for the cult of Adonis. This kind of ordination was not accompanied by sacrifices, because it is not found any altar in the entire temple complex. Adonis appears in Dura-Europos to be an agricultural deity and toned inside a specially god of the wine. In other places Adonis boasts gardens, which feature taverns, where wine is drunk. Sometimes he even has a sacred grove, as Bethléem "Bethleem lucus adumbrat Thamuz, id est Adonidis" (Jer, Ep 58.3..).







ADONIS (Part 4).
Punic cult:
This is found in North Africa during the Roman period. A 'sacerdos Adonis' is mentioned in an inscription from Béchateur (Thisi, IL Tun I in 1188) and an ordination from around Nepheris from the years 198 and 209 AD., Which begins with the words "Adoni Aug (usto) sac (rum) "(CIL.VIII, 24031). This title does not refer to the Syro-Phoenician Adonis, just to Baal Hamon (African Saturn).

Adonis van Byblos:
Byblos and the feast of Adonis, Brigitte Soyez, Leiden, E.J.Brill 1977.
The adonidiennes parties appear at the end of this book, as the living core of giblite worship. Without calling into question the very definition of myth, the question of the date of the Adonies allowed us to outline their origin both historical and poetic, and the conditions they require and how they unfolded.
 I insist further, finally, on the concept of torque imposed by the presence at the head of the local pantheon of deities two cardinal, Adonis and Ba'alat. This duality is far, in fact, to be a unique phenomenon. If one accepts the case of Berytus, whose services are broadly based on the Syrian beliefs and specifically héliopotaines, Sidon and Tyre know, too, the dyad.
Everything leads to believe, to look elsewhere than the Phoenician origins of the trinity which the Syrians made great use instead. Coastal pantheons, undergoing profound changes from the Hellenistic period were unanimously faithful to ancestral fertility, symbolized by one or another form of Astarte. But at his side a newly created entity, which can be described as young god Ba'al supplanted.
We see there a common religious revolution in the mentality of the time; continuity exists because Adonis became, along with Eshmun and Melqart, the custodian of the vital fertility of nature, but we guess, even more, make an opening for the anxiety rooted in personality Ba'al gradually disappears with the birth of hope involving the various avatars of Adonis giblite. God's perspective is, in fact, increased. Fear makes room for hope; the salvation is at hand and the harvest will never cease to be abundant.

Literatuur :
- E,Lipinski, Dictionnaire de la civilisation Phénicienne et Punique, Brepols, Leuven 1992.
- W.Atallah, Adonis dans la littérature et l’art grecs, Paris 1966.
- G.Piccaluga, Adonis e i profumi di un certo strutturalismo, Maia n.s.26 (1974).
Adonis, i cacciatori falliti e l’avvento dell’agricoltura, Il mito greca, Roma 1977, p.33-48.
- B.Soyez, Byblos et la fête des Adonies, Leiden 1977.
- S.Ribinchini, Adonis, Aspetti ‘orientali’ di un mito greco, Roma 1981.
Adonis. Relazioni del Colloquio in Roma (1981), Roma 1984.
- G.J.Baudy, Adonisgärten. Studien zur antiken Samensymbolik, Königstein, 1986.
- M.J.Rostovtzelf + F.E.Brown + C.B.Welles, The Excavations at Dura-Europos, Preliminary Report of the Seventh and Eight Seasons of Work 1933-1934 and 1934-1935. New Haven 1939.
- F.Cumoni, Les desmophulax d’Adonis, Syria 22 (1941). P.292-295.
J.T.Milik, Dédicaces faites par des dieux (Palmyre, Hatra, Tyr) et des thiases sémitiques à l’époque romaine, Paris 1972, p.142, 204-205.
- J.Toutain, Bulletin de la societé nationale des Antiquaires de France 1915, p.269-299 + BAC 1918 p.CLXX – CLXXII.
- Sabatino Moscati, The world of the Phoenicians.
- G.E.Markoe, Phoenicians, Berkely, 2000.
- C.R.Krahmalkov, Phoenician-Punic Dictionary, Leuven 2000.