beheerder van de facebook groep: PHOENICIA: The history & legacy of the Phoenicians

zaterdag 13 december 2014

Beeld Punisch/Carthaagse religie 2. Deel 80.


          SYMBOLEN EN TEKENS

          Bij afbeeldingen of het noemen van de goden wordt gebruikt gemaakt van

          diverse symbolen, zoals de zon, de maan, de sterren, palmen en de

          granaatappelboom. De open geheven hand kan staan voor het 'bidden', maar

          heeft zeker ook te maken met de zegenende en beschermende macht van de

          godheid. Het teken van Tanit lijkt op een gestyleerde vrouwenfiguur en

          als zodanig is het niet duidelijk, wat de bedoeling ervan is. Wellicht

          heeft het te maken met de oermoeder, die met globaal dit teken ook op

          Kreta in de voor‑Griekse periode werd afgebeeld. Het zou ook kunnen, dat

          het een gecombineerde astrale en chtonische betekenis heeft:

 

                                             **    astraal

                                           *    *  HEMEL

                                           *    *

                                *            **            * altaarhorens

                                *            **            *

                                **************************** scheidingslijn

                                             **

                                            *  *

                                           *    *

                                          *      *

                                         *        *

                                        *          * chtonische

                                       *            * AARDE

                                      *              *

                                     *                *

                                    ********************

 

          Niettemin vinden we bij Cirta het Tanit‑teken, waarbij zij een staf in

          de hand houdt (ca.150 v.C), hetgeen weer gewoon voor de gstyleerde

          vrouwenfiguur zou pleiten. En zo zijn er meer voorbeelden. Mogelijk zijn

          beide gedachtenspinsels met elkaar gecombineerd en versmolten.

          Wellicht staat het teken ook voor een algemeen religieus symbool, zoals

          het kruis bij de Christenen of het Ankh‑teken bij de Egyptenaren.

          Das 'Tanitzeichen', Deutungsversuche eines Symbols, P.Cintas, Archeologia VIVA 1968/69.

          Een ander symbool, dat met Tanit in verband wordt gebracht is het fles‑

          symbool, dat veelal in een troon‑altaar verschijnt (Carthago,

          Hadrumetum, Akzib).

 

          GEESTEN

          Demonen en geesten zijn te bestrijden met amuletten, symbolen, belletjes

          en talismannen. Er worden vervloekingstabletten gemaakt. Die zijn veelal

          van persoonlijke aard, maar ook in het algemeen gesteld, zoals deze (CIS

          I 5510): "[En iedere m]ens, die niet (de goden) vereerd, zal verdelgd

          worden door onze grote TNT pn BcL en de heer [Bc]L Hammon en wel

          gedurende het leven in het aanschijn van de zon samen met hun familie en

          hun [geestverwanten]."

          Maskers dienen er enerzijds voor om de bescherming van de goden te

          verwerven en anderszijds om demonen af te schrikken. In het eerste geval

          zijn de maskers mooi en glimlachend en in het tweede geval zijn de

          maskers misvormd en verwrongen. De glimlachende en grijnzende maskers

          werden tijdens heilige dansen gebruikt om goden en geesten op te roepen.

          Demonen spelen een belangrijke rol in het leven van de PuniVr. Hij wordt

          door duizend geesten in zijn leven belaagd. Demonen zijn wanstaltige

          geesten, die zorgen voor tegenspoed, ziekten en vervormingen. Met

          speciale afbeeldingen, tekens, voorwerpen en natuurlijk de maskers werd

          al te veel onheil voorkomen. Amuletten van Ptah beschermden tegen

          bijvoorbeeld tegen slangen. Magische graveringen op plaatjes werden als

          een talisman om de nek gehangen.

 

          DE OVERDRACHT

          Ashtarte    ‑‑>     Afrodité/Juno/Hera/Venus

          Resheph     ‑‑>     Apollo

          Shadrapa    ‑‑>     Bacchus/Liber Pater

          Yam         ‑‑>     Poseidon

          Haddad      ‑‑>     Ares

          Tanit       ‑‑>     Caelestis/Persephone

          Baal Hammon ‑‑>     Saturnus

          Melqart     ‑‑>     Heracles/Hercules

          Esjmoen     ‑‑>     Asklepios/Esculapius/Apollo

 

          EED VAN HANNIBAL

          Het verdrag, dat Hannibal in 215 v.C afsloot met de MacedoniVrs

          (Polybius VII 9), geeft een goed inzicht in de mate, waarin de Griekse

          goden werden genoemd en welke de Fenicische/Punische voorgangers

          daarachter zich schuil houden.

          Ten overstaan van Zeus (=Baal Hammon of Shamaim), Hera (Tanit) en Apollo

          (Resheph); ten overstaan van de Genius/Daimon(=Ashtarte) van Carthago,

          van Heracles (=Melqart) en Iolaus (=Esjmoen); ten overstaan van Ares

          (Hadad), Triton, Poseidon (Yam); ten overstaan van de goden, die voor

          ons vechten en de zon, de maan, de aarde; ten overstaan van de rivieren,

          meren, wateren enz enz enz

          De vraag rijst, of dit het Carthaagse pantheon was, of slechts de

          voorkeur van Hannibal.

          In dit verband is ook van belang de uitspraak van Eudoxus van KnidiV,

          die zegt, dat de Feniciërs kwartels offeren aan Heracles, omdat deze,

          als de zoon van Asteria en Zeus, gedood is door Typhon en tot leven komt

          door de geur van een kwartel, die hem gebracht wordt door Iolaos.

          Over de identificatie van de Genius (lat) of de Daimon (gr) bestaat geen

          overeenstemming. Er zijn ook identificaties gemaakt met Bes, Tanit, Baal

          Mgnm en zelfs Dido. Waarschijnlijk gaat het om een groep van godheden,

          waarvoor mogelijk het Semietische woord Gad werd gebruikt.

 
          DE CLERUS
          Voorname posities werden ingenomen door de priesters (Kohanim). De
          priester (khn) en chef‑priester (rb khn) worden in Carthago vanaf de 4e
          eeuw v.C als zodanig genoemd. Door hun goden te dienen verzekerden zij
          de stad van de nodige bescherming. Door offers werden de goden krachtig
          gehouden voor hun taak. Bij rampen wezen de priesters het volk op hun
          mindere geloofsijver, waarna onmiddellijk het verloren terrein op
          wellicht absurde wijze werd ingehaald met massale offerandes. Er waren
          overigens ook priesteressen (khnt) en hulppriesters. Er is een
          afbeelding van een priesteres als sarcofaag van St.Monique, waarbij haar
          benen gewikkeld zijn in vogelveren als vleugels.
          De hulppriesters of priesters van de tweede klasse komen naar voren in
          de Romeinse tijd, waarbij de culten van Saturnus en Caelestis de
          onderscheiding gemaakt wordt tussen 'sacerdotes loci primi' en
          'sacerdotes loci secundi' (CILVIII, 12406). Daarnaast worden ook nog de
          'ministri dei Saturni' genoemd (CIL VIII 6961).
          De priesters waren met huid en haar verkocht aan hun godheid. Soms
          moesten zij letterlijk met hun leven daarvoor betalen. Nog in de 3e eeuw
          na Chr. werden mensen in de kledij van Saturnus‑priesters voor de wilde
          dieren gegooid. Bovendien moesten de priesters hun bijzondere positie
          ook bekopen met allerlei 'vreemde' gebruiken. In Gadir moesten de
          priesters van Melqart hun hoofd‑ en baardhaar afscheren, droegen zij
          ongegorde linnen gewaden met een brede geborduurde zoom, liepen
          barrevoets en leefden in celibaat. Vrouwen en varkens (welk een
          combinatie!) was de toegang tot de tempel verboden. Alles volgens Silius
          Italicus III 23‑27.
          In andere heiligdommen mochten de priesters geen wijn gebruiken, maar
          hadden veelal niet de plicht van kuisheid. Het is dus een gevarieerd
          beeld en kennelijk had elk heiligdom zo zijn eigen regels voor de
          priesters. Tertullianis vermeldt ca.200 na Chr.in 'De exhortatione
          castitatis' (13), dat de priesteressen van Ceres (Kore) verplicht waren
          om alle omgang met mannen en naaste familieleden te mijden.
          De priesterdracht is gevarieerd. Nu eens verschijnt op een gedenkteken
          de priester in een lang doorzichtig bovenkleed met een sluier en over de
          schouder een lange smalle band; dan weer in een mantel met een brede
          geborduurde zoom.
          Elk heiligdom wordt geleid door een opperpriester (rab kohanim), maar er
          zijn ook priesters of ambtenaren met een speciale taak, zoals de hoeder
          van de moraal = de praefectus sacrorum ('dr czrm) en voorts zijn er
          speciale commissies (KAI 80,1), die aangeduid worden als "De tien
          mannen, die over het heiligdom gaan (csjrt h'sjm 'sjcl hmqdsjm)". Dit
          kan vergelijkbaar zijn met het college van tien bij de Romeinen, die
          "opzichters over de heilige zaken" werden genoemd. Andere groepen moeten
          de tarieven voor de offers vaststellen (KAI 69), maar het is niet
          gezegd, dat dit ook priesters waren: "De dertig mannen, die over het
          tarief gaan (sjlsjm h'sj 'sjcl hmsj'tt)". Een speciale rol is weggelegd
          voor "de opwekker van de godheid". In Pyrgi is dat de koning zelf en in
          Carthago wordt volstaan met een persoon in een 'hoge rang'. Er is ook
          veel personeel in dienst bij de tempels. In Carthago worden de kappers
          van de godheid genoemd (glb 'lm).
 
          De verdienste van de Punische clerus is geweest, dat zij het geestelijke
          gedachtengoed van de Puniërs en Carthagers heeft bewaard en wel lang
          nadat de politieke en militaire rol van Carthago was uitgespeeld. Nog
          vele eeuwen na Chr blijft dit doorwerken. Pas wanneer het latijn als
          liturgische taal overal wordt ingevoerd, verdwijnt langzaam het
          gemeenschappelijke Punische gedachtengoed.
 
          Zie:
          ‑ Magistratures et sacerdoces puniques, J.‑G.Février, RA 42, 1948.
          ‑ Sur une comparaison entre le clergé phénicien et le clergé 'africain',
          J.‑P.Rey‑Coquais, L'Africa Romana V, Sassari 1988.
 
 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen