beheerder van de facebook groep: PHOENICIA: The history & legacy of the Phoenicians

zaterdag 13 december 2014

Beeld Punisch/Carthaagse religie 1.Deel 79

          boek negen                                                     deel drie
 
          4.4.7.Het beeld van de Punisch/Carthaagse religie.
          ‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑
 
          ÉÉN GODSDIENST
          Carthago en Fenicië hebben één en dezelfde godsdienst stelt F.Móünter
          reeds in 1816 na Chr.in zijn Religion der Karthager. Er zijn hoogstens
          wat lokale verschillen. Bijna twee eeuwen later komt E.Lipinski tot min
          of meer dezelfde conclusie in "Syro‑Fenicische wortels van de Karthaagse
          religie":
          "Er was een tijd waarin men gemeend heeft, zonder het werkelijk te
          kunnen bewijzen, dat de godsdienst van Karthago en haar koloniVn zich
          ontwikkeld had uit de syro‑Kanaänitische en fenicische religie. Dan is
          er een periode van wetenschappelijk scepticisme gekomen, waarin men naar
          andere bronnen van de karthaagse godsdienst gezocht heeft. Maar juist
          door de vooruitgang van onze kennis omtrent het oude nabije Oosten
          realiseert men zich thans in toenemende mate dat de karthaagse
          godenwereld en de diepst gevoelde praktijken van de karthaagse religie
          in de oud‑fenicische bodem hun wortels hebben."
 
          FASES
          In Carthaags Africa zijn duidelijk vier fases te onderscheiden en dat
          geldt in grote lijnen ook voor de andere Punische gebieden:
          ‑ De beginfase met orientaalse en archaïsche elementen, waarbij een
          sterke Egyptische invloed merkbaar is;
          ‑ In de 5e eeuw v.C valt een godsdienstige hervorming, die ook zijn
          politieke uitwerking heeft;
          ‑ Vanaf de 4e eeuw v.C vooral meer een Hellenistische invloed;
          ‑ Vanaf de 2e eeuw v.C is er naast het Hellenisme vooral meer de
          Romeinse invloed.
 
          GODEN
          De goden zijn de bestuurders van de wereld. Zij leveren vruchtbaarheid
          en beschermen de mensen in leven én in de dood.
          De goden hebben veelal de volgende eigenschappen, die in hun benamingen
          en toevoegingen steeds weer terug keren:
          ‑ licht ('r)
          ‑ volkomen (tm)
          ‑ machtig ('dr)
          ‑ sterk ('br)
          ‑ heerst (msl)
          ‑ helpt (czr)
          ‑ zegent (brk)
          ‑ beloont (slm)
          ‑ zorgt (slk)
          ‑ beschermt (cz)
          ‑ draagt (cms)
          ‑ hoort (smc)
          ‑ geeft (ytn)
          ‑ redt (hls)
                  ' '
          DE OFFERING
          De offering heet Molk en er is geen god Moloch, zoals in diverse
          overleveringen werd beweerd. De offering van de eerstgeborene geldt als
          absolutie voor de rest van het gezin. De leiders van de staat offeren om
          hun kracht tot regeren te vernieuwen.
          Er zijn verschillende soorten offers:
          Molk'adam betekent: offer door een mens.
          Molk bacal betekent: offer door een edelman/offer ter ere van Baal in
          plaats van een zuigeling.
          Substituut offers heten molchomor (mlk'mr)en meestal is dit een lam of
          schaap (agnum pro vicario/zondebokgedachte=een plaatsvervangende
          gebeurtenis, waarbij iemand iets in onze plaats beleeft).
          Een votief‑offer gebeurt door iemand, die dat heeft toegezegd.
          Een offerande kon gebeuren door een individu (meestal), maar er waren
          ook gemeenschapsoffers.
          In het begin was althans in Carthago het tofetgebeuren een zaak van de
          aristocratie. Later gaat ook meer en meer het gewone volk daarin
          participeren.
          Nog een andere onderscheiding binnen het offeren is de wijze waarop:
          ‑ plengoffers;
          ‑ reukoffers;
          ‑ 'slacht'offers;
          ‑ brandoffers (Ola te Carthago).
          Ook met de termen San'at en S(j)elem worden offers aangeduid, maar hun
          betekenis is (nog) niet zeker. Dat is het wel voor de term Kaltl, dat
          voloffer betekent. De offering vond in de Carthaagse gebieden  plaats
          aan Baal Hammon (de heer van het reukwerkaltaar=Thymiaterion) en later
          ook aan Tanit (in het aanschijn van Baal). Toch worden Baal Hammon en
          Tanit niet omschreven als bloeddorstige godheden, maar veeleer
          goedwillende godheden in een positieve rol. Het is een
          tegenstrijdigheid, die nauwelijks verklaarbaar is.
 
          De offering in deze zin is een voornaam kenmerk van landbouwculturen.
          Door de Fenicische expansie wordt het gebruik ook naar Afrika
          overgeplant. De landbouwers in den vreemde houden het oude gebruik vast
          en worden zo mogelijk nog strenger in de leer. We zien dat bij menige
          andere migratiegolf ook optreden.
          De offerande is dus het voornaamste element. Dat beperkt zich niet tot
          een officiVle groep of handeling, maar het is een zaak van de gehele
          bevolking, waarbij wel elke sociale klasse zo zijn eigen rituelen heeft.
          Het welzijn van de mens hangt af van de goddelijke gunst. Zo ontstaan
          ook de persoonlijke namen als Esjmoenazar (Esjmoen heeft begunstigd),
          Melqartazar (Melqart heeft geholpen) of Melqartshama (Melqart heeft
          geluisterd). De mens is ook onderworpen aan de goden, zoals in de namen
          Abdmelqart (dienaar van Melqart) en Germelqart (klant van Melqart) naar
          voren komt.
 
          Men heeft ook familiale banden met de favoriete godheid, zoals spreekt
          uit Himilk (broer van Milk), Batbaal (dochter van Baal) of Arishabat
          (geliefde van Baal). Zo zoekt de Carthager/PuniVr naar een sterke
          personele binding met zijn favoriete godheid, niet alleen in de naam,
          maar ook door zijn persoonlijke offers, zijn gebeden en de feesten.
          Het belangrijkste blijft echter het offer, dat de goddelijke kracht tot
          leven moet wekken. Het offer vernieuwt de goddelijke kracht. De
          zegenende uitstraling van de godheid komt vrij, waardoor er tussen de
          godheid en de offeraar een nauwe geestelijke band ontstaat. In beginsel
          offert de gelovige zichzelf, maar bijna altijd wordt het een substituut.
          De importantie van de offerande is gelijk aan de waarde van de gift. Het
          brandoffer van kinderen is dan ook de bijna hoogste vorm van
          offerbereidheid. De zelfmoord is de hoogste en van sommige belangrijke
          Carthaagse edelen weten wij, dat zij daartoe overgingen. Zo is er de
          stichtster van de stad: Elisja (brandoffer). Verder Hamilcar
          (brandoffer) in 480 v.C te Himera en wellicht Himilco (hongerdood) in
          396 v.C.
 
          WIJDINGEN
          Veelal worden de offers voorzien van teksten. Bij de talloze
          overgeleverde inscripties wordt normaal van oudsher een standaardformule
          gebruikt:
          Gewijd object ‑ betrekkelijk voornaamwoord ‑ werkwoord ‑ naam van de
          offeraar ‑ naam van de godheid/koning.
          Omstreeks de 5e eeuw v.C wijzigt zich deze standaardformule en begint
          men met de naam van de godheid. De meeste Punische inscripties zijn op
          deze laatste wijze ingedeeld.
 
          TARIEVEN
          Om offers te mogen brengen werden tarieven gehanteerd. Een prachtig
          overzicht stamt uit Marseille (KAI 69), maar hoort oorspronkelijk
          waarschijnlijk thuis bij de tempel van Baal Saphon in Carthago.
          "Tempel van Baal Saphon. Verslag van de verschuldigde bedragen, die de
          controleurs van de betalingen vastgesteld hebben... voor iedere os, of
          het nu een zoenoffer, vredesoffer of brandoffer is, zullen de priesters
          10 stukken zilver krijgen.....enz, enz, enz"
          Er werd ook onderscheid gemaakt tussen een totaal offer (kll),
          bloedoffer? (swct) en een dankoffer? (sjlm kll). Er waren speciale
          tarieven voor de armen, zoals blijkt uit de zin: "Bij ieder offer, dat
          een arme aan vee of vogel geeft, zullen de priesters daar niets van
          nemen."
          TOFET
          De naam schijnt af te stammen van een plaats bij Jeruzalem (Ben Himmon),
          waar de Joden mensenoffers brachten. Het Fenicische oosten blijft
          vrijwel stil over met name de kinderoffers, daar waar die in het westen
          veelvuldig genoemd werden door klassieke auteurs en waar de restanten
          daarvan ook werkelijk omvangrijk zijn teruggevonden.
          Er zijn o.a. tofets in Carthago (8e‑1e eeuw v.C), Motya (6e‑4e eeuw
          v.C), Lilybaion (4e‑3e eeuw v.C), Tharros, Sulcis, Monte Sirai, Nora,
          Bithia, Althiburos en Hadrumetum aangetroffen.
 
          Volgens Diodoros (1e eeuw v.C) werden er in 310 v.C 500 kinderen
          geofferd te Carthago.
          Sophokles (5e eeuw v.C) noemt het offer, dat de 'barbaren' vanaf het
          begin brachten, als een menselijke offerande. Porhyrios heeft het in de
          3e eeuw na Chr. over de mooisten van het nageslacht, die geofferd
          werden. Dracontius betreurt het feit, dat de Carthaagse vrouwen 'de
          eigen kinderen' aan Kronos offerden. Volgens Silius Italicus zou het om
          een jaarlijks gebruik gaan en zou het door het lot bepaald worden.
          Tertullius bericht nog in de late Romeinse tijd, dat "tot op heden is de
          misdaad in het geheim nog in gebruik." Het laatste opgetekende
          kinderoffer vond plaats op 8 november 323 na Chr. " De priester voltrekt
          nog vol vreugd de eed, die hij gezworen had om uit te voeren."
 
          Wat kan de reden zijn geweest? Daarvoor dienen we eerst terug te gaan
          naar het oosten, waar de volgende visie algemeen ingang had:
          Alle eerstelingen moeten worden geofferd, of het nu vruchten, dieren of
          mensen zijn. Houdt het verband met de zienswijze van een Babylonische
          schrijver Theodicee:
          "Hoe komt het, dat de eerstgeborene doorgaans zwakkelijk is?
           Het eerste kalf van de koe is van weinig waarde,
           het tweede daarentegen wordt tweemaal zo groot."
          In Exodus 22,28 lezen we:
          "Uw eerstgeborenen moet ge mij afstaan. Dat geldt ook voor uw runderen
           en uw kleinvee."
          In Exodus 12,29 lezen we:
          "En het was midden in de nacht toen Jahwe al de eerstgeborenen van
           Egypte sloeg."
 
          Al vroeg gaat men echter in het oosten, maar ook in het westen tot
          substituut‑offers over. Achaz en Manasse in de Joodse leefwereld offeren
          hun zoon nog (II Koningen 16:3,21,6) en ook Mesha van Moab gaat er in de
          9e eeuw v.C nog toe over. Er zijn nog meer voorbeelden te noemen uit
          Aram en MesopotamiV. In de 8e‑7e eeuw v.C was het verschijnsel nog wijd
          verbreid, maar vanaf de 6e eeuw v.C zien we welhaast uitsluitend
          substituut‑offers optreden. In het westen blijft het gebruik kennelijk
          langer in zwang, maar ook hier gaat men de Molk'omor steeds meer
          hanteren.
 
          Bij Carthago komen als beweegredenen voor de kinder‑ en mensenoffers
          naar voren, dat in tijden van nood de goden extra aandacht nodig hadden.
          Daarnaast kunnen beweegredenen geweest zijn:
          ‑ regulatie van de ongebreidelde geboorten. De relatieve welvaart was in
          Carthago t.o.v. de omringende landen vaak dermate hoog, dat de bevolking
          explosief toenam onder de steeds gunstiger wordende omstandigheden.
          Strabo heeft het zelfs een keer over 700.000 inwoners en dat zou voor
          die tijd gigantische hoog zijn en bovendien leiden tot even gigantische
          problemen;
          ‑ het delen van deze relatieve welvaart met minder kinderen per gezin.
          Een vergelijking met de boeren van ScandinaviV in de vroege middeleeuwen
          dringt zich op: Aan meestal de oudste zoon werd de boerderij
          overgedragen. De andere zonen moesten hun heil maar op zee zoeken. Er
          was maar plaats voor één opvolger. Ook de Carthaagse koopman met zijn
          rijkdom wilde dat wellicht overdragen aan één enkele nakomeling;
          ‑ het zuiver houden van het ras? Het is een mogelijkheid, die nog
          nauwelijks goed onderzocht werd of kon worden. De veelvuldige
          cosmopolitische contacten van de Carthagers en Puniërs leidden tot ook
          vermenging met andere volken en stammen. Wellicht waren de nazaten van
          deze verbindingen minder gewenst!
 
          Hoe dan ook, het is bewezen, dat er ook te Carthago kinderoffers
          gebracht werden. We beschikken over twee inscripties uit het Tanit
          heiligdom, die daarover reppen. De vele teruggevonden urnen bevatten
          vele kinderbeenderen naast dierlijke en plantaardige resten. Het Tanit
          heiligdom ligt in de wijk SalammbF‑Douar‑Chott tussen de rue Hannon en
          de rue des Suffètes.
          In het begin van de 4e eeuw v.C wordt dit heilige gebied opgehoogd en
          vlak gemaakt. Daarna zien we ca.30‑40 jaar een grote wanorde optreden
          met vele vreemde invloeden met Egyptische, Ionische en ook Etruskische
          invloeden. In deze tijd komt steeds meer het teken van Tanit voor.
          Het aandeel van de kinderoffers in het totaal van de offers neemt toe en
          Justinius noemt als dwingende reden, dat het de bedoeling was om,
          temidden van steeds meer dreigender krachten, "de vitale kracht en
          energie van de stad te vernieuwen en om de welvaart veilig te stellen."
          Tussen 400 en 200 v.C komen er in het Tanit heiligdom aldus ca.20.000
          urnen tot stand, waarin kinderresten aanwezig zijn. Slechts 10% daarvan
          is dierlijk. Het zou kunnen betekenen, dat minstens 18.000 kinderen in
          200 jaar daar de dood vonden en dat is ca.90 per jaar, ofwel één elke
          vier dagen. Het is een gruwzame gedachte. In principe behoeft echter een
          historicus geen morele uitspraken te doen, behalve wanneer het onderzoek
          hem/haar daartoe maant. Het mag echter niet tot vergoelijking of
          bagatellisering van een verschijnsel gaan leiden, zoals bij zoveel
          Fenicische en Punische studies zichtbaar wordt.
          Een simpele rekensom is de enige neutrale methode om inzicht te krijgen.
          Een veilige voorzichtige schatting houdt in, dat Carthago in de periode
          400‑200 v.C een bevolking had van ca. 100.000 inwoners.
 

          Met een gemiddelde leeftijd van 50 jaar betekent dit, dat de eerste
          jaargang ca.3000 personen bedroeg. Doodgeborenen kunnen daarvan, ook
          weer voorzichtig ingeschat, 5% hebben bedragen en dat is zo'n 150
          kinderen per jaar. Vergelijken we de eerder gevonden ca.90 kinder‑urnen
          per jaar in dezelfde periode, dan komt het een en ander toch in een wat
          ander daglicht te staan. Bovendien hebben we nog geen rekening gehouden
          met de kinderen in het 2e en 3e jaar, die ook in de urnen voorkwamen en
          die ook in het 2e en 3e jaar een natuurlijke dood hebben gevonden. De
          simpele statistiek leert dan, dat van een massale levende kinderoffering
          geen sprake kan zijn, uitgezonderd bij rampzalige gebeurtenissen, zoals
          die zijn opgetekend. Deze gedachte wordt ondersteund, door het feit, dat
          op normale begraafplaatsen minder kindergraven voorkomen, dan men
          statistisch zou verwachten. In de tofet‑kerkhoven zijn vroegtijdig
          gestorven kinderen aangetroffen, die als zodanig geidentificeerd konden
          worden. Het is echter de vraag, of dat bij alle teruggevonden
          kindergraven nog verantwoord te doen is, zeker wanneer het crematies
          betreft. We hebben dus waarschijnlijk te maken met een rituele offering
          van in hoofdzaak doodgeboren kinderen en we moeten het beeld van de
          rituele massamoordenaars, zoals de klassieke auteurs naar voren brengen,
          eindelijk ontkrachten.
 
          Overigens zal de discussie over dit onderwerp, ondanks steeds meer
          geavanceerde beschikbaar komende technieken, nog wel geruime tijd
          doorgaan. Zo verscheen onlangs een documentaire "HET BLOEDALTAAR" van
          Jill Marshall.
          1).D.Markoe (Cincinnati Art Museum) heeft de opdracht ontvangen om weer een boek te schrijven           over de Feniciërs. Op voorhand gaat hij uit van de kinderoffers.
          2).P.Bartoloni van het het Fenicisch instituut te Rome ontkent de kinderoffers ten stelligste           en zegt, dat het allemaal laster was van de Grieken en de Romeinen en dat dit nog steeds zo             doorgaat. De tofet was een heilige plaats voor doodgeboren en/of vroegtijdig gestorven                  kinderen.
          3).L.Stager van de Harvard University neemt een tussenpositie in en verwondert zich over het            feit, waarom zo'n beschaafd volk zich misschien tot een dergelijke geinstitutionaliseerde vorm           van barbaarsheid liet verleiden. Hij komt tot de conclusie, dat de archeologie ons geen                 definitief uitsluitsel zal geven.
          4).Charlotte Roberts bezoekt Motya, waar in de oudheid ca.15.000 mensen leefden en waar een             tofet is teruggevonden met ca.6000 urnen. Charlotte Roberts is bioloog/antropoloog aan de               Universiteit van Durham. Via tand‑onderzoek bij 20 resten van personen komt zij tot de                  conclusie, dat die tot 2 *a 3 maanden zijn geweest.
          5).In IsraVl te Jeruzalem is door Patricia Smith als fysisch antropoloog onderzoek gedaan aan           de Hebrew University en zij vindt uit, dat bij resten van 20 personen (tanden), het duidelijk           is, dat die niet doodgeboren waren.
          6.Ron Dixon (micro‑bioloog) en Kery Brown (biomoleculair archeologe{UMIST}) van de                      Universiteit van Bradford nemen hun toevlucht tot het DNA onderzoek. Als uit het DNA van                Carthago blijkt, dat het allemaal jongetjes zijn, dan is er veel voor te zeggen, dat het                werkelijk offers waren, want in de oudheid waren de eerstgeborenen, die geofferd werden,                altijd jongens. Het chromosoom moet dus X en Y bevatten. Na 13 pogingen van elk drie dagen met           behulp van o.a. een PCR machine blijkt (bij hoeveel?), dat het om jongens gaat.
          7).Tezelfdertijd is de Universiteit van Jeruzalem ook met DNA onderzoek bezig met de resten             uit Motya en wat blijkt: hier gaat het om een meisje.
          8).De documentaire eindigt dan ook terecht met de opmerking, dat nog tenminste 5 jaar                   onderzoek nodig is over een veel grotere populatie om iets zinnigers te kunnen zeggen.
          NA DE DOOD
          Tot de 4e eeuw v.C werd er hoofdzakelijk begraven. Daarna vond steeds
          meer crematie plaats. Bij uitzondering vindt het complete balsemen
          plaats. Meestal werd echter volstaan met een lichte vorm daarvan, als
          men er al toe overging.
          Crematies vonden vooral plaats te Motya en Carthago. Er werd gebruik
          gemaakt bij het begraven van grafschachten (dromos) en van grafkamers
          (Dj.Mlezza, Dougga, Kroubs). Sarcofagen waren tamelijk bijzonder en
          werden veelal ook geimporteerd.
          Men gelooft aan een leven na de dood, maar er is niet zo'n uitgebreide
          doodscultus als bij de Egyptenaren. Mogelijk gelooft men ook in
          onsterfelijkheid. Volgens een notitie in 'Excerpta Polyaeni' zou
          Hannibal gezegd hebben "dat degenen, die in de oorlog dapper (strijdend)
          sterven na niet al te lange tijd opnieuw tot leven komen."
          De gelovige voldeed op aarde aan een aantal riten, werd ingewijd en
          vervulde zijn offerandes. Daarmee verzekerde hij zich ervan, dat hij op
          aarde door zijn godheid werd beschermd en dat hij in de dood met zijn
          ziel een plaats zou kunnen vinden in de nabijheid van zijn godheid.
          De demonen zullen uiteindelijk dood en verderf brengen over ieder
          schepsel en voor de nabestaanden is het dan zaak, dat de overledene een
          goede rustplaats krijgt. Nog erger zou het worden, als de overledene
          niet tevreden zou zijn met zijn rustplaats en zich zelf zou ontwikkelen
          tot een demon. De nabestaanden zorgden er dus voor, dat de overledene
          goed begraven werd en voorzien werd van het noodzakelijke. Een schending
          van het graf moest hoe dan ook voorkomen worden.
          Appianus (Libyca 84.89) en Cicero (Pro Scauro VI 11) vermelden expliciet
          de bij de Puniërs aanwezige dodencultus.
          Afbeeldingen op scheermessen, gedenkstenen en op de schalen van
          struisvogeleieren met dikwijks de lotusbloem worden gebruikt om de
          eeuwige woning voor te stellen. De godin Hawwat speelt bij de overgang
          naar het dodenrijk een belangrijke rol. Amuletten en maskers worden
          naast de overledenen veelal bijgezet, maar de doden worden ook voorzien
          van alledaagse artikelen en voeding voor de dodenreis. Uit Kef el‑Blida
          is een afbeelding bekend, waarbij de ziel wordt voorgesteld als een
          soort half‑vogel, zwevend tussen de dageraad en de boot van de nacht,
          terwijl de grote slang de boot van de dag leidt naar de hemelse goden.
          Zie:La peinture funéraire de Kef el‑Blida, J.Ferron, Archéologia 20, 1968.
 
          MAUSOLEA
          Nabij Amrit in Fenicië komt een mausoleum voor (=Meghazil). Ook in
          Afrika komen dergelijke bouwwerken voor. Ze komen in twee soorten voor.
          Massief, als Egyptische bouwwerken, voor diverse Numidische vorsten, of
          sierlijk als een uit de kluiten gewassen gedenksteen. In Kroub en Dougga
          zijn dergelijke bouwwerken teruggevonden. Bij Dougga kwam een
          hellenistisch mausoleum tot stand van bijzondere schoonheid. Het werd
          gemaakt door Atban in de 2e eeuw v.C (KAI 100). Ook dat van Hr.Bourgou
          op Djerba is het vermelden waard.
          Zie voorts:DIE NUMIDER, H.G.Horn+C.B.Rüger (Numidische Königsarchitectur, F.Rakob).
 
          IMPORTCULTUS
          Demeter + Kore komen voor vanaf het begin van de 4e eeuw v.C.(agrarische
          goden) en Dionysos (assimilatie met Shadrapa). De nederlaag voor
          Syracuse, de Libysche opstanden en zelfs de 'opoffering' van Himilco
          mochten niet meer baten. De heersende goden waren kennelijk niet sterk
          genoeg meer. Vandaar, dat de vreemde culten werden ingevoerd, terwijl
          het mogelijk ook een voorwaarde in de onderhandelingen tussen Grieken en
          Carthagers was. Deze Griekse culten werden al spoedig zodanig
          gepuniseerd, dat de oorspronkelijke betekenis voor een deel verloren
          ging. De Punische priesters maakten er zo hun eigen verhaal bij.
          Bovendien sloegen de nieuwe culten niet erg aan bij de grote massa. Dat
          deden nog steeds wel de Egyptische godheden en dan vooral op het vlak
          van de magie en het bijgeloof. Genoemd kunnen worden Ptah, Horus, Bes,
          Thot, Isis, Shu, Amon‑Re, Sekhmet, Anubis, Osiris, Nephtys en Tueris.
          De import van Romeinse godheden was voornamelijk bij naam. Echt Romeinse
          godheden hebben nauwelijks entree gehad. Dat heeft waarschijnlijk te
          maken gehad met het feit, dat de Romeinen de overwonnen volken en hun
          culturen respecteerden. Hierdoor kreeg ook de Noord‑Afrikaanse religie
          zijn hybride en heterogene karakter.
          De Romeinen lieten bijvoorbeeld Diana optreden als godin van de jacht en
          menige Noord‑Afrikaanse marktplaats werd onder de Romeinen beschermd
          door Mercurius.
 
          TEMPELS EN HEILIGDOMMEN
          De aanvankelijke bescheiden heilige plaatsen met hooguit een steen, of
          een altaar (zoals te Dj.Bou Kornein of Ain Tounga), kregen uiteindelijk
          toch heuse tempels en bouwwerken, waarin de godheid vereerd werd.
          Uiteindelijk dient de godheid toch een huis te hebben, waarin hij/zij
          kan wonen (zie:Baal bij Oegarit).
          De eerste tempels in de Punische wereld zien er meer bescheiden uit als
          kapellen. We kennen de Cintas‑kapel en de kapel te Salammbo te Carthago.
          Die laatste wordt ook wel de kapel Carton genoemd naar zijn ontdekker.
          Zij waren nauwelijks enkele vierkante meters groot. De kapel Carton is
          bijvoorbeeld 4 bij 4.80 en heeft een toegang van nog geen 0.90 meter. De
          muren zijn wel dik (0.55 meter).
          Echte tempels verrijzen pas later nabij de Agora en op de Byrsa in
          Carthago. Esjmoen heeft waarschijnlijk in Carthago zijn tempel gehad op
          de Odeon‑heuvel en de tempel van Resheph bevond zich halverwege haven en
          Byrsa.
          Het gewone volk, dat een tempel wilde betreden voor bijvoorbeeld een
          offerande, had te voldoen aan speciale voorwaarden: Bezoekers van een
          tempel van Esjmoen‑Esculapius te Thuburbo majus dienden drie dagen
          daaraan voorafgaande geen geslachtelijke omgang te hebben, mochten niet
          naar de kapper of een badhuis gebruiken en het eten van bonen en
          varkensvlees was verboden.
          Voor de diverse bedevaartsoorden wordt verwezen naar de slotbeschouwing
          en naar de paragraaf aangaande de sacrale prostitutie.
 
          RELIGIEUZE REFORMATIE
          In de 5e eeuw v.C vindt er te Carthago een wezenlijke religieuze
          verandering plaats met theologische, liturgische aspecten, maar ook
          politieke aspecten. Het is mogelijk, dat in het begin van de stad
          Carthago Melqart en Ashtarte nog de voorkeur hadden. In de 5e eeuw v.C
          krijgen Tanit en Baal Hammon de voorkeur. Gelijktijdig gaat het
          koningsschap ingewisseld worden voor een oligarchische bestuursvorm.
          Toch blijft Melqart een speciale positie behouden en zeker bij de
          Barciden. Melqart was immers ook verbonden met het koningshuis en
          mogelijk wilden de Barciden dat weer in ere herstellen. Het deels
          afdanken van Melqart onderstreept ook het zich definitief losmaken van
          Tyrus.
          Deze geschetste religieuze/economische reformatie moet vele eeuwen
          daarvoor al een keer eerder hebben plaats gevonden. Toen verschenen de
          Feniciërs in hun woonplaatsen aan de Middellandse zee kust. Van
          akkerbouwers met chtonische goden werden zij zeevaarders, waarbij de
          astrale goden van grotere betekenis werden. Nu in de 5e eeuw v.C vindt
          er opnieuw een omslag plaats. De Puniërs pakken de landbouw meer dan
          ooit terug op in het vruchtbare Afrika en Sardinië met als gevolg, dat
          de oude chtonische goden ook weer terug in de aandacht komen, ofwel dat
          de astrale goden werden voorzien van chtonische tekens. De goddelijke
          zorg voor het gewas gaat opnieuw centraal staan.
          Samen met deze politiek‑religieuze algemene veranderingen, treedt er ook
          een verandering in de offerande op. Het karakter daarvan verschuift.
          Niet primair de stad(staat), maar het individu dient voorzien te worden
          van nieuwe energie. Bovendien kunnen nu ook vreemdelingen deel gaan
          nemen aan de erediensten.
 
          STADSVOORKEUREN na de religieuze hervorming.
          Carthago (4e eeuw v.C) 1.Tanit 2.Baal Hammon
          Cirta    (3e eeuw v.C) 1.Baal Hammon 2.Tanit
          Motya    (5e eeuw v.C) alleen Baal Hammon
          Baal Hammon en Tanit spelen de voornaamste rol. Baal Hammon als god van
          'wierookaltaar'en god van de landbouw. Tanit is een vruchtbaarheidsgodin
          en zij beschermt de doden. Daarnaast zijn er belangrijke rollen voor
          Ashtarte als de moedergodin of dame ('dt) en Melqart, die staat voor
          welvaart, handel en expansie.
          Andere stadsvoorkeuren zijn bijvoorbeeld:
          Gadir: Melqart
          Antas: Shadrapa
          Eryx: Ashtarte
 
          SACRALE PROSTITUTIE
          Ashtarte werd in de volgende heiligdommen vereerd, waarbij ook sprake
          was van tempelslaven(innen), die ter beschikking van de bezoekers
          stonden (hierodouloi): ‑Sicca Veneria
                                 ‑Pyrgi
                                 ‑Eryx
          Tempelprostituees worden al door Herodotos genoemd bij Corinthe. Op
          Cyprus was Paphos een dergelijk oord en ook in het westen komt het
          verschijnsel dus voor. Daarbij werd zowel gebruik gemaakt van vrouwen
          als van mannen ('Temple‑boys'). Valerius Maximus (1e eeuw na Chr)
          schrijft in zijn Facta et dicta memorabilia, dat de Punische dames hun
          maagdelijkheid kwamen offeren in de tempel van Venus van Sicca. Dat is
          het huidige Le Kef. Deze plaats werd bevolkt door ElymiVrs, die
          afkomstig waren van Sicilië. Hun belangrijkste tempel bevond zich te
          Eryx. Er is een legende, dat de godin van Eryx ieder jaar gedurende
          negen dagen een bezoek aan Carthago bracht. De sacrale prostitutie was
          dus beperkt tot slechts een paar plaatsen en het vormde maar een detail
          in de Fenicische en Punische religie. Het heiligdom te El Kenissia was
          gewijd aan Tanit en hier is het zeer twijfelachtig, of er sacrale
          prostitutie werd bedreven.
 
          ORAKEL
          De Melqart tempel te Gadir functioneerde als zodanig. Aldaar zou een
          eeuwig brandend vuur voorkomen. In Gadir is ook sprake van een klein
          eiland, waar een orakel was en waar een zeegodin(?) in een grot
          geraadpleegd kon worden. Toch heeft dit instituut waarschijnlijk niet
          zo'n hoge vlucht genomen als bij de Grieken met hun Delphi en Dodona
          heiligdommen. Wel werden de Carthaagse legers veelal vergezeld van
          waarzeggers en profeten. Het fenomeen 'waarzeggen' speelde dus wel
          degelijk een voorname rol bij de bijgelovige Carthagers. Alleen het
          instituut orakel komt minder sterk naar voren in de tot dusver
          beschikbare overleveringen en opgravingen.
 
          FEESTEN
          In Carthago werd een feest gehouden, dat 'Mayumas' werd genoemd, ofwel
          mogelijk in het grieks(?): 'Hydrophoria'.
          Een ander feest is dat van Ceres, dat op 13 december in geheel Afrika
          werd gevierd en dat gecombineerd werd volgens Sallustius met
          volksvermaken en uitspattingen, die obsceen genoemd kunnen worden
          (lascivia). In het Demeter‑feest tijdens de lente werd in Carthago de
          volgende rite toegepast: priesteressen zetten een schaal met bekertjes
          op hun hoofd. In de schaal brandde een heilig vuur en de bekertjes
          werden gevuld met het eerste koren. Voorts maakte men uitgeholde
          borstbeelden, waarin brandend reukwerk werd gedaan. Een beschadigde
          inscriptie heeft het over een vijfdaags feest, waarbij diverse offers
          gebracht moeten worden en waarbij diverse regels in acht moeten worden
          genomen. In een neopunische inscriptie wordt een priesteres genoemd, die
          18 jaar lang de bazin van de danseressen was. Plutarchus vermeldt het
          gebruik van pauken en blaasinstrumenten, die nodig waren voor de
          danspartijen.


 
 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen