|
BAALSAMEN
3
============
Plautus
has a remark about Baalsamen (Phoen.1027) and Philo of Byblos
(Eus.P.E.1.10.7) thinks of a sun god or cosmic god. A Greek magical papyrus
from the 4th century AD sees in him the son of Ouranos (Pap.gr.mag.106).
There is no image description of him!!!!!!!!!!
Literatuur:
- O.Eissfeldt, Ba‘alšamêm und Jahwé, ZAW 57 (1939), p.1-31
(Kleine Schriften 11, Tübingen 1963, p.171-198);
- D.Sourdel,
Les cultes du Hauran à l’époque romaine, Paris 1952, p.19-31 ;
- H.J.W.Drijvers, Ba‘al Shamin, de heer van de hemel,
Assen 1974;
-
F.Vattoni, Aspetti del culto
-
R.A.Oden, Ba‘al šamêm and ’El, CBQ 39 (1977), p.457-473;
-
J.Teixidor, The Pagan God,
- G.Garbini,
Gune Balsemen, StMagr.12 (1980), p.89-92;
- E.Lipinski
e.a., Dictionnaire de la civilisation phénicienne et punique, Brepols, Leuven
1992, p.61-62.
-
Ch.R.Krahmalkov, Phoenician-Punic Dictionary, StPhoen XV, OLA 90,
B‘LšMN =
Ba‘alsamem (Lord of the Heavens, Baal as
storm a god, the master of thunder and lightning.
KAI 26 A
III 18/19 (ph): b‘lšmm w’l ’rṢ wšmš ’lm wkl dr bn ’lm = Baalsamem and El,
Creator of the Earth and eternal Semes and the entire family of the gods.
KAI 64.1
(Pu): l’dn lb‘<l>šmm l’ynṢm = <Dedicated> to the Lord Baalsamem
of Isonim.
What
about all these abbreviations? I will give an explanation the next time.
|
beheerder van de facebook groep: PHOENICIA: The history & legacy of the Phoenicians
maandag 23 januari 2017
Baal Shamem 3
Baal Shamem 2
|
BAAL
SHAMEM part 2
==================
Baal
Shamêm occurs worldwide, for example:
Baal
Shamêm also appears in a Phoenician inscription from Umm el-Amed (KAI 18),
where he had his own temple and he is named in Greek Zeus Hupsistos (Zeus, the
very highest), or Zeus Megistos Keraunios (CIS II, 3912 = Zeus, the huge
terrible), or Hagios Theos Ouranios. Under the title "God, the holy
heaven" he was worshiped until the 3rd century AD in the Tyrian temple
Qedesh in
Furthermore,
we find the very high at
An
inscription from
|
Baal Shamem 1
|
BAAL
SHAMEM part 1
=================
B ‘ l š m
m (Phoen), B ‘ l š m y n (
|
donderdag 15 december 2016
Baal Hamon
BAAL HAMON
B ‘ l ḥ m n (fen), Balamoun (gr), Balamon (lat). Zeer
waarschijnlijk betekent de naam “Heer van de Amanus”. De oudste registratie van deze goddelijke
naam gaat terug tot 825 v.C en komt van Zincirli, dat de hoofdstad was van een
klein Aramees vorstendom op de oostelijke flanken van de Amanus (KAI 24=TSSI
III,13,16). Het woord ḥ m n vinden we
ook terug in de fenicische aanduiding P ‘ r
ḥ m n (KAI 26=TSSI III, 15,A6/Bordreuil, Cataloque 4): Pahar Amanus
(=het land Amanus). In de Akkadische teksten komt de vorm Hamanu voor. Meester
van de Amanus was de god Dagan of Dagon. Ook hier zien we een wijziging van de
‘a’ naar de ‘o’. Baal Hamon was dus oorspronkelijk een titel, die aan Dagon
werd meegegeven.
|
BAAL
HAMON
B ‘
l ḥ m n (fen), Balamoun (gr), Balamon
(lat). Zeer waarschijnlijk betekent de naam “Heer van de Amanus”. De oudste registratie van deze goddelijke
naam gaat terug tot 825 v.C en komt van Zincirli, dat de hoofdstad was van
een klein Aramees vorstendom op de oostelijke flanken van de Amanus (KAI
24=TSSI III,13,16). Het woord ḥ m n
vinden we ook terug in de fenicische aanduiding P ‘ r ḥ m n (KAI 26=TSSI III, 15,A6/Bordreuil,
Cataloque 4): Pahar Amanus (=het land Amanus). In de Akkadische teksten komt
de vorm Hamanu voor. Meester van de Amanus was de god Dagan of Dagon. Ook
hier zien we een wijziging van de ‘a’ naar de ‘o’. Baal Hamon was dus
oorspronkelijk een titel, die aan Dagon werd meegegeven.
|
BAAL
HAMON
B ‘ l ḥ m
n (phoenician), Balamoun (greek) Balamon (latin). Most probably the name
means "Lord of the Amanus." The oldest record of this divine name
goes back to 825 BC coming from Zincirli, which was the capital of a small Aramaic
principality on the eastern slopes of the Amanus (KAI 24 = TSSI III, 13.16). The
word ḥ m n can also be found in the Phoenician designation P ‘ r ḥ m n (KAI
26 = TSSI III, 15, A6 / Bordreuil, cataloque 4): Pahar Amanus (= the country
Amanus). In the Akkadian texts form Hamanu occurs. Master of the Amanus was
the god Dagan or Dagon. Again we see a change in the "a" to
"o". Baal Hamon was therefore originally a title that was given to
Dagon.
However,
this was only the beginning of the occurrence of Baal Hamon! Much more later!
|
Verspreiding:
----------------
In het oosten verspreidde de cultus van Baal Hamon zich naar
de streek van Tyrus. In de 6e eeuw v.C duikt er in de regio van
Tyrus een amulet op (StPhoen.4, 1986, p.82-86) met wijdingen aan Bêl Hamon uit
Palmyra (B ‘ l ḥ m n) en hier in Tyrus
zelf komen dan de persoonsnamen Ha-mu-na-a-a en Ab-di-He-mu-nu voor (Benz,
Names p.154 + BASOR 230,1978, p.58). In het westen komt Baal Hamon op heel veel
gedenkstenen met een inscriptie voor op de urnenvelden, waarbij er vaak sprake
is van een ‘molk’. Centra daarbij zijn Malta, Carthago, Hadrumetum, Mididi,
Cirta en in de kolonies van Carthago op Sicilië en Sardinië. In later tijden
vinden er assimilaties plaats naar Kronos, Saturnus en Pluto. De naam Baal
Hamon blijft echter in zwang tot in de 1e eeuw na Chr. (CdB3, 1953,
p.113-118). Ook later wordt de godheid waarschijnlijk vereerd onder de namen
Baal Addir en Baal Qarnaim. In het laatste geval wordt hij in latijnse
inscripties Balcarnen(sis) genoemd (Djebel Qournein).
|
Verspreiding:
----------------
In het oosten verspreidde de cultus van Baal Hamon zich
naar de streek van Tyrus. In de 6e eeuw v.C duikt er in de regio
van Tyrus een amulet op (StPhoen.4, 1986, p.82-86) met wijdingen aan Bêl
Hamon uit Palmyra (B ‘ l ḥ m n) en hier
in Tyrus zelf komen dan de persoonsnamen Ha-mu-na-a-a en Ab-di-He-mu-nu voor
(Benz, Names p.154 + BASOR 230,1978, p.58). In het westen komt Baal Hamon op
heel veel gedenkstenen met een inscriptie voor op de urnenvelden, waarbij er
vaak sprake is van een ‘molk’. Centra daarbij zijn Malta, Carthago,
Hadrumetum, Mididi, Cirta en in de kolonies van Carthago op Sicilië en
Sardinië. In later tijden vinden er assimilaties plaats naar Kronos, Saturnus
en Pluto. De naam Baal Hamon blijft echter in zwang tot in de 1e
eeuw na Chr. (CdB3, 1953, p.113-118). Ook later wordt de godheid
waarschijnlijk vereerd onder de namen Baal Addir en Baal Qarnaim. In het
laatste geval wordt hij in latijnse inscripties Balcarnen(sis) genoemd
(Djebel Qournein).
|
Spread of Baal Hamon:
----------------------------
In the
East the cult of Baal Hamon spread to the region of
|
Karakter:
-----------
Baal Hamon als Dagon tot en met Saturnus is een agrarische
godheid. Te Utica, Carthago en Hadrumetum komen bij hem in afbeeldingen
allemaal agrarische tekens voor.Standbeelden uit Thinissut, Hadrumetum, Malta
en Genoni en op een gedenksteen uit Cirta wordt Baal Hamon weergegeven zittend
op een troon met een korenstengel of met drie korenaren in zijn linkerhand
(StPhoen 4. 1986, p.330-333, 342-343). De korenaar vinden we ook terug op
punische en neopunische munten. De toevoegingen ‘frugifer’ en ‘deus frugum’ bij
Afrikaanse Saturnus bevestigen eens te meer het agrarische karakter van Baal
Hamon, die in de voetsporen van Dagon is getreden. Het verklaart ook het ‘molk’
offer aan Baal Hamon, want het mensoffer is een uiting van de
vruchtbaarheidscultus. De kroon op het hoofd bestaande uit vegetatiebladeren te
Genoni, El-Hofra en Thinissut is een andere uiting van het agrarisch karakter.
In het oosten is er zelfs sprake van de aanleg van een bosschage voor de Kronos
van Arwad (IGLS VII, 4002). In de Etymologicum magnum (p.196,52) wordt daarbij
zelfs een plaats genoemd: Betagon (Bet Dagon), waarmee duidelijk wordt, dat
Dagon de Kronos van de Feniciërs is. De koppeling van Baal Hamon aan de zon of
de maan komt niet duidelijk naar voren. Daar zijn pas sporen van te zien bij de
Afrikaanse Saturnus.
|
Karakter:
-----------
Baal Hamon als Dagon tot en met Saturnus is een agrarische
godheid. Te Utica, Carthago en Hadrumetum komen bij hem in afbeeldingen
allemaal agrarische tekens voor.Standbeelden uit Thinissut, Hadrumetum, Malta
en Genoni en op een gedenksteen uit Cirta wordt Baal Hamon weergegeven
zittend op een troon met een korenstengel of met drie korenaren in zijn
linkerhand (StPhoen 4. 1986, p.330-333, 342-343). De korenaar vinden we ook
terug op punische en neopunische munten. De toevoegingen ‘frugifer’ en ‘deus
frugum’ bij Afrikaanse Saturnus bevestigen eens te meer het agrarische
karakter van Baal Hamon, die in de voetsporen van Dagon is getreden. Het
verklaart ook het ‘molk’ offer aan Baal Hamon, want het mensoffer is een
uiting van de vruchtbaarheidscultus. De kroon op het hoofd bestaande uit
vegetatiebladeren te Genoni, El-Hofra en Thinissut is een andere uiting van
het agrarisch karakter. In het oosten is er zelfs sprake van de aanleg van
een bosschage voor de Kronos van Arwad (IGLS VII, 4002). In de Etymologicum
magnum (p.196,52) wordt daarbij zelfs een plaats genoemd: Betagon (Bet
Dagon), waarmee duidelijk wordt, dat Dagon de Kronos van de Feniciërs is. De
koppeling van Baal Hamon aan de zon of de maan komt niet duidelijk naar
voren. Daar zijn pas sporen van te zien bij de Afrikaanse Saturnus.
|
Character
of Baal Hamon:
--------------------------------
Baal
Hamon as Dagon to Saturn is an agricultural deity. In
Literature:
------------
- G.C.Picard,
Les religiones de l’Afrique antique, Paris 1954, p.59-79 ;
-
M.Leglay, Saturne Africain, Monuments I-II,
-
L.Foucher,
- C.Picard,
Victoires et trophées puniques: la souveranité de Baal Hammon, StMagr 3
(1970), p.55-72 ;
-
T.C.Gouder, Baal Hammon in the Iconography of the Ancient Bronze Coinage of
Malta, Scientia 36 (1975), p.1-16 ;
-
E.Lipinski, Zeus Ammon et Baal Hammon, StPhoen 4 (1986) p.307-322;
-
A.Roobaert: Sid, Sardus Pater ou Baal Hammon? À propos d’un bronze de
Genoni, StPhoen 4 (1986), p.333-345;
- E.Lipinski, Syro-Fenicische wortels van de Karthaagse
religie, Phoenix 28 (1982+1984), p.51-84;
- E.Lipinski
e.a., Dictionnaire de la civilisation phénicienne et punique, Brepols, Leuven
1992.
|
Literatuur:
------------
- G.C.Picard, Les
religiones de l’Afrique antique, Paris 1954, p.59-79 ;
- M.Leglay,
Saturne Africain, Monuments I-II, Paris
1961-1966 ;
-
L.Foucher, Hadrumetum , Tunis 1964, p.39-42;
- C.Picard, Victoires
et trophées puniques: la souveranité de Baal Hammon, StMagr 3 (1970),
p.55-72 ;
-
T.C.Gouder, Baal Hammon in the Iconography of the Ancient Bronze Coinage of
Malta, Scientia 36 (1975), p.1-16 ;
-
E.Lipinski, Zeus Ammon et Baal Hammon, StPhoen 4 (1986) p.307-322;
-
A.Roobaert: Sid, Sardus Pater ou Baal Hammon? À propos d’un bronze de
Genoni, StPhoen 4 (1986), p.333-345;
- E.Lipinski, Syro-Fenicische wortels van de Karthaagse
religie, Phoenix 28 (1982+1984), p.51-84;
- E.Lipinski
e.a., Dictionnaire de la civilisation phénicienne et punique, Brepols, Leuven
1992.
dinsdag 13 december 2016
Baal & Ugarit
|
Baal and
============
Die Mythologie der Ugariter und Phönizier,
M.H.Pope/W.Röllig : Wörterbuch der Mythologie – 1, Stuttgart 1965 (p.266):
"Message
of the mighty Baal,
Word of
the mighty hero:
Eliminate
the war on earth,
Eliminate
the dispute in the country;
Pour
peace into the interior of the earth,
Increase
friendship among the fields! "
The UN
could not have said it in a better way!
|
BAAL
|
BAAL
Originally,
this word is a common noun or a generic name for the Semitic b‘l = owner, Sir,
husband, as in M l q r t Ṣ r (CIS I, 122 = 47 = KAI TSSI III, 21-22).
However, in the Syro-Phoenician domain means it an early deity and almost
always of the storm. Baal is already found in
In the
Phoenician texts Baal comes forward as follows:
- Yd B ‘l
= blessed by Baal (KAI 30.4);
- Brk B ‘l
= blessed by Baal (KAI 26 A, 1.1);
- B 'br B
‘l w’lm = by the grace of Baal and the gods;
- P n B ‘l
= face of Baal (adding Tanit);
- Š m B ‘l
= name of Baal (KAI 14.18 at Astarte);
- S m B ‘l
= effigy of Baal (KAI 12, 3-4).
- Baal of
- Baal Kalenderis (KAI 26A, from 11.19 - 20);
- Baal Saphon (KAI 69.1);
- Baal of Lebanon (KAI 31.1-2);
- Baal Hermon (Jg 3,3);
- Baal of
Tabor and
Furthermore,
we find Baal amongst others in the following combinations:
- Baal
Hamon (among others KAI 24.16);
- Baal ymm (KAI 37 B4);
- Baal Mgnm (KAI78,3-4);
- Baal
Ṣmd (KAI 24.15);
- Baal pn
’rṢ = Baal face of the earth (KAI 27.14 -15);
- Baal
šmm = Baal of the heavens (KAI 4.3);
- Baal KR .. (Karatepe);
- Baal ’dr (o.a.KAI 9 B 5).
Literature:
-
G.Pettinato, Preugaritic Documentation of Baal, The Biblical World,
- E.Lipinski et
al .: Dictionnaire de la civilisation phénicienne and punique, Brepols, 1992
Leuven.
|
maandag 14 november 2016
Astarte en Carthago
Carthago:
-----------
Vindplaats van een gouden medaillon uit het einde van de 8e
eeuw v.C (KAI 73 = TSSI III,18). Vindplaats Odeon heuvel ten noorden van de
Byrsa in de necropool Douïmes. Tekst: Idamelek/Jadamilk aan Astarte, aan
Pygmalion. De logica van de verbinding van Astarte met Pygmalion is een
raadsel. In Carthago heeft Astarte ook haar eigen tempel (KAI 81 = CIS I 3779,
4882).
|
Carthago:
-----------
Vindplaats van een gouden medaillon uit het einde van de 8e
eeuw v.C (KAI 73 = TSSI III,18). Vindplaats Odeon heuvel ten noorden van de
Byrsa in de necropool Douïmes. Tekst: Idamelek/Jadamilk aan Astarte, aan
Pygmalion. De logica van de verbinding van Astarte met Pygmalion is een
raadsel. In Carthago heeft Astarte ook haar eigen tempel (KAI 81 = CIS I
3779, 4882).
|
Astarte
& Carthage:
--------------------------
Site of a
gold medallion from the end of the 8th century BC (KAI = 73 TSSI III, 18).
Location: Odeon hill north of the Byrsa in the necropolis Douïmes. Text: Idamelek
/ Jadamilk to Astarte, to Pygmalion. The logic of the connection of Astarte
with Pygmalion is a mystery. At
|
Astarte en Cyprus
Cyprus:
---------
De oudste inscriptie in Cyprus, waarin Astarte genoemd
wordt, komt uit een fenicische tempel in de wijk Kathari te Kition en staat op
een beker van aardewerk (eind 9e eeuw v.C). Men leest er een
moeilijk te verklaren wijding (Kition III D 21). In een andere wijk van Kition
(op de heuvel Bamboula) vinden we een heiligdom van Astarte (Kition III C1,A4).
Andere wijdingen treffen we aan te Paphos (‘štrt), dewelke corresponderen met
Aphrodite Paphia.
Astarte kan zich overigens in Sidon verheugen in een
pelgrim, die uit Paphos is aangereisd (Pélerins Chypriotes en Phénicie,
A.Masson, Semitica XXXII 1982).
|
Cyprus:
---------
De oudste inscriptie in Cyprus, waarin Astarte genoemd
wordt, komt uit een fenicische tempel in de wijk Kathari te Kition en staat
op een beker van aardewerk (eind 9e eeuw v.C). Men leest er een
moeilijk te verklaren wijding (Kition III D 21). In een andere wijk van
Kition (op de heuvel Bamboula) vinden we een heiligdom van Astarte (Kition
III C1,A4). Andere wijdingen treffen we aan te Paphos (‘štrt), dewelke
corresponderen met Aphrodite Paphia.
Astarte kan zich overigens in Sidon verheugen in een
pelgrim, die uit Paphos is aangereisd (Pélerins Chypriotes en Phénicie, A.Masson,
Semitica XXXII 1982).
|
Astarte
and
-----------------------
The
oldest inscription in
Astarte
may otherwise look forward in
|
Astarte en Sevilla
Sevilla:
---------
Buiten Fenicië is dit de oudste vindplaats in het westen van
een spoor van Astarte. Hier staat een inscriptie op een bronzen beeldje,
gevonden in de nabijgelegen plaats Carambolo en gewijd aan ‘ š t r t ḥ r (TSSI III 16). Dit beeldje uit de 8e-7e
eeuw v.C stamt zeker uit Cyprus of Fenicië zelf. De godin van Carambolo
verwijst naar voorgangsters uit Ugarit: ’ t t r t h r (KTU I 43,1) en uit Niniveh als Ishtar
“hurriet” (IšDAR hur-rt = PRU IV p.230,1,6) met de egyptische versie ‘str hr.
Ze werd toen als buitengewoon krachtig afgeschilderd en werd als godin genoemd
te Sidon bij Hittietische rituelen vanaf de 13e eeuw v.C (Kbo II 9 I
4; 36 Vs 14).
Op het beeldje staat de volgende inscriptie:
Mṭn’ ’z p‘l b‘lytn bn d‘mlk w‘bdb‘l bn d‘mlk bn yšl l‘štrt
ḥbry tnt k šm‘ ql db[r[nm =
Deze troon heeft Baalyaton gemaakt, zoon van dumilk en
abdbaal, zoon van dumilk, zoon van Ysal(?) voor Astarte-Hurriet, onze dame,
omdat zij de stem van zijn gebed heeft gehoord.
|
Sevilla:
---------
Buiten Fenicië is dit de oudste vindplaats in het westen
van een spoor van Astarte. Hier staat een inscriptie op een bronzen beeldje,
gevonden in de nabijgelegen plaats Carambolo en gewijd aan ‘ š t r t ḥ r (TSSI III 16). Dit beeldje uit de 8e-7e
eeuw v.C stamt zeker uit Cyprus of Fenicië zelf. De godin van Carambolo
verwijst naar voorgangsters uit Ugarit: ’ t t r t h r (KTU I 43,1) en uit Niniveh als Ishtar
“hurriet” (IšDAR hur-rt = PRU IV p.230,1,6) met de egyptische versie ‘str hr.
Ze werd toen als buitengewoon krachtig afgeschilderd en werd als godin
genoemd te Sidon bij Hittietische rituelen vanaf de 13e eeuw v.C
(Kbo II 9 I 4; 36 Vs 14).
Op het beeldje staat de volgende inscriptie:
Mṭn’ ’z p‘l b‘lytn bn d‘mlk w‘bdb‘l bn d‘mlk bn yšl l‘štrt
ḥr rbtn k šm‘ ql db[r[nm =
Deze troon heeft Baalyaton gemaakt, zoon van dumilk en
abdbaal, zoon van dumilk, zoon van Ysal(?) voor Astarte-Hurriet, onze dame,
omdat zij de stem van zijn gebed heeft gehoord.
|
Sevilla
& Astarte:
---------------------
Outside
The
statuette has the following inscription according to most of the scholars:
Mṭn 'z
p‘l b‘lytn bn d‘mlk w‘bdb‘l bn d‘mlk bn yšl l‘štrt ḥr rbtn k šm‘ ql db [r ]nm
=
“This
throne has made Baalyaton son of dumilk and abdbaal son of dumilk, son of
Ysal (?) For Astarte-Hurriet, our lady, because she heard the voice of his
prayer.”
However:
Amadasi makes a slightly other translation.
|
Astarte en Byblos
Byblos:
---------
Volgens de inscriptie KAI 29 = TSSI III,20 is een ivoren
kistje, gevonden te Ur, oorspronkelijk afkomstig uit Byblos, waar het werd
opgedragen aan Astarte. Daarnaast is de godin Baalat Gebal een vorm van
Astarte.
|
Byblos:
---------
Volgens de inscriptie KAI 29 = TSSI III,20 is een ivoren
kistje, gevonden te Ur, oorspronkelijk afkomstig uit Byblos, waar het werd
opgedragen aan Astarte. Daarnaast is de godin Baalat Gebal een vorm van
Astarte.
|
Astarte and Byblos:
-----------------------
According
to the inscription KAI 29 = TSSI III, 20 is an ivory casket, found at
|
Astarte en Tyrus
Tyrus:
-------
In de hellenistische period behoorde Astarte tot de triade
Baal Shamim/Hadad – Astarte/Astéra – Melqart/Héraklès. Eerder wordt ze genoemd
als As-tar-tu in het verdrag tussen Asarhaddon en Baal (7e eeuw v.C:
AfO Beih.9.p.109), waarbij haar oorlogzuchtig aspect naar voren komt. Nog
eerder bouwde Hiram I in de 10e eeuw v.C voor haar een nieuwe tempel
samen met Héraklès-Melqart (Fl.Jos.A.J.VIII 145-146 = C.Ap.I 113-118). Ithobaal
II was voor zijn troonsbestijging in de 9e eeuw v.C al een priester
van Astarte (Fl.Jos.C.Ap I 123).Dichtbij Tyrus te Hirbet et-Tayibé bevindt zich
een stenen troon, die gewijd was aan Astarte in haar heiligdom (KAI 17=TSSI
III,30). In Umm el-Amed en Massub ten zuiden van Tyrus vinden we wijdingen voor
Milkashtart (KAI 19 = TSSI III, 31).
|
Tyrus:
-------
In de hellenistische period behoorde Astarte tot de triade
Baal Shamim/Hadad – Astarte/Astéra – Melqart/Héraklès. Eerder wordt ze
genoemd als As-tar-tu in het verdrag tussen Asarhaddon en Baal (7e
eeuw v.C: AfO Beih.9.p.109), waarbij haar oorlogzuchtig aspect naar voren
komt. Nog eerder bouwde Hiram I in de 10e eeuw v.C voor haar een
nieuwe tempel samen met Héraklès-Melqart (Fl.Jos.A.J.VIII 145-146 = C.Ap.I
113-118). Ithobaal II was voor zijn troonsbestijging in de 9e eeuw
v.C al een priester van Astarte (Fl.Jos.C.Ap I 123).Dichtbij Tyrus te Hirbet
et-Tayibé bevindt zich een stenen troon, die gewijd was aan Astarte in haar
heiligdom (KAI 17=TSSI III,30). In Umm el-Amed en Massub ten zuiden van Tyrus
vinden we wijdingen voor Milkashtart (KAI 19 = TSSI III, 31).
|
Astarte
and
---------------------
In the
Hellenistic period Astarte belongs among the triad Baal Shamim / Hadad -
Astarte / Astera - Melqart / Herakles. Previously she was termed as As-tar-tu
in the treaty between Asarhaddon and Baal (7th century BC: AFO Beih.9.p.109)
with its warlike aspect emerges. Previously Hiram I built in the 10th century
BC for her a new temple with Herakles-Melqart as well (Fl.Jos.A.J.VIII C.Ap.I
145-146 = 113-118). Ithobaal II was for his enthronement in the 9th century
BC, already a priest of Astarte (I Fl.Jos.C.Ap 123). Close to
|
Astarte en Sidon
Sidon:
-------
Astarte wordt als godin genoemd te Sidon door de bijbel
(1Kon.12,5.33 en 2Kon.23.13). De koningen uit de 6e en 5e
eeuw v.C (Ešmunazor I en Tabnit I) noemen zich ook priester van Astarte (KAI 13
= TSSI, III,27). De moeder van Ešmunazor II is Immi-Aštart en is een priesteres
van Astarte (KAI 14 = TSSI, III 28, 14-15). Beiden laten voor de godin een
tempel maken. Een tempel wordt opgericht in “Sidon van de Zee” en een andere
noemt men “Astarte, naam van Baal” (šm b‘l). Zulk een vernoeming komt ook in
Ugarit voor in de vervloeking van Keret (KTU I,16, VI,56). Een zegel wordt
gewijd aan ‘ š t “in Sidon” (Bordreuil, Cataloque 80). Voor Lucophron in Syr.4
is de Astarte van Sidon te identificeren met Sélené. In de wijdingen van drie
beeldjes van de tempel van Ešmun te Bostan esh-Sheik wordt Astarte genoemd aan
de zijde van Ešmun (l ‘ š t r t l ’ d n
y l ’ š m n) in 18 BMB 1965, p.106.
Beide godheden hadden dus een gezamelijk heiligdom.
|
Astarte en Sidon:
---------------------
Astarte wordt als godin genoemd te Sidon door de bijbel
(1Kon.12,5.33 en 2Kon.23.13). De koningen uit de 6e en 5e
eeuw v.C (Ešmunazor I en Tabnit I) noemen zich ook priester van Astarte (KAI
13 = TSSI, III,27). De moeder van Ešmunazor II is Immi-Aštart en is een
priesteres van Astarte (KAI 14 = TSSI, III 28, 14-15). Beiden laten voor de
godin een tempel maken. Een tempel wordt opgericht in “Sidon van de Zee” en
een andere noemt men “Astarte, naam van Baal” (šm b‘l). Zulk een vernoeming
komt ook in Ugarit voor in de vervloeking van Keret (KTU I,16, VI,56). Een
zegel wordt gewijd aan ‘ š t “in Sidon” (Bordreuil, Cataloque 80). Voor
Lucophron in Syr.4 is de Astarte van Sidon te identificeren met Sélené. In de
wijdingen van drie beeldjes van de tempel van Ešmun te Bostan esh-Sheik wordt
Astarte genoemd aan de zijde van Ešmun (l ‘ š t r t l ’ d n y
l ’ š m n) in 18 BMB 1965, p.106. Beide godheden hadden dus een
gezamelijk heiligdom.
|
Astarte
and
---------------------
Astarte
is called as goddess in
|
Astarte
ASTARTE
’ t t r t (ug), ‘ š t r t (fen), Astarte (gr) is een godin,
die pas relatief laat in beeld komt in tegenstelling to haar mannelijke
tegenhanger ’ t t r. Ze wordt voor de eerste keer genoemd in Egypte onder
Aménophis II (1438-1412 v.C) met betrekking tot de bescherming van paarden
(ANET p.244b). De Egyptenaren noemen haar Asiti (’-s-i-t’, ’ s t). tijdens
Sethi I (1291-1279 v.C) en beschouwen haar als de Aziatische godin te paard.
Dan duikt ze op te Ugarit als ’ t t r t Ṣ
w d (t) = Astarte de jageres (KTU 1.92.2), maar ook als godin van de liefde en
de oorlog.
|
ASTARTE
’ t t r t (ug), ‘ š t r t (fen), Astarte (gr) is een
godin, die pas relatief laat in beeld komt in tegenstelling to haar
mannelijke tegenhanger ’ t t r. Ze wordt voor de eerste keer genoemd in
Egypte onder Aménophis II (1438-1412 v.C) met betrekking tot de bescherming
van paarden (ANET p.244b). De Egyptenaren noemen haar Asiti (’-s-i-t’, ’ s t)
tijdens Sethi I (1291-1279 v.C) en beschouwen haar als de Aziatische godin te
paard. Dan duikt ze op te Ugarit als ’ t t r t Ṣ w d (t) = Astarte de jageres (KTU
1.92.2), maar ook als godin van de liefde en de oorlog.
|
ASTARTE
'T t r t
(ug), ‘ š t r t (phoen), Astarte (greek) is a goddess who comes relatively
late into the picture in contrast to her male counterpart ' t t r. She is
mentioned for the first time in
|
zaterdag 29 oktober 2016
ANAT
ANAT.
(H)anat (akkadisch), ‘nt (ugaritisch+fenicisch).
West-Semietische godin, die genoemd wordt bij het
verschijnen van amorietische stammen rond 2000 v.C. Haar naam is identiek aan
de naam van de stad (H)anat of ‘anat aan de midden-Eufraat en zij wordt verbonden
met de stam van ‘Anah (KAI 202 = TSSI II,5 A2). In het akkadisch wordt deze
stam ḥana genoemd in het 2e en 1e millennium v.C.
In de literatuur van Ugarit is Anat de lotgenoot van Baal,
de god van het onweer. Zij wordt geacht de wolken te verzamelen, maar ook om de
dauw te verspreiden, hetgeen aanleiding geeft om haar naam te verbinden aan het
grondwoord ‘an, waar het zelfstandig naamwoord ‘anan = “wolk” vandaan komt. De
cultus van Anat verspreidt zich in het 2e millennium v.C over grote
delen van Syro-Palestina en Egypte. Zij blijft aanwezig tot aan de hellenistische
periode in sommige fenicische kringen.
Bij het begin van de 7e eeuw v.C wordt de godin
vereerd op Cyprus te Idalion (RES 453, 1210) en te Lapethos, waar zij
geassimileerd is met Athene en de bijnaam “toevluchtsoord van de levenden”
krijgt (= m‘z ḥym , KAI 42).
In Egypte wordt Anat geassimileerd met Isis. In Carthago en
Hadrumetum komt ‘nt voor in een paar persoonsnamen (Benz, Names, p.382). Verder
zien we Anat verschijnen in het verdrag van Baal I van Tyrus en Anat wordt ook
genoemd in Elephantine (AP 22.125). In die laatste plaats komt tevens een
Anat-Yahvé voor (AP 44.3). Bij Anatram van Delos (ID 2314) zijn we al wat
verwijderd van de eigenlijke naam Anat. Wellicht komt de naam ook verscholen
voor in:
- ‘wnt’dy bl = goddelijk kantoor van Bel (Palmyra RTP 37);
- ‘Atta’ zit in de naam Atargis (‘tr‘t’/b in aramees).
Literatuur:
- Dictionnaire de
la civilisation Phénicienne et Punique, E.Lipinski, Brepols, 1992.
- I rapporti
politici di Tiro con l’Assiria alla luce del trattato tra Assarhaddon e Baal,
G.Pettinato, RSF III > Anati (M.35.9).
BK 86. De eerste heldendichten, Midden-Oosterse mythen door
o.a. Piers Vitebsky, 1997.
blz 99: “Een ander belangrijk element in de cyclus is Baäl’s
relatie met de godin Anat. Als zijn trouwe en slagvaardige zus steunde ze zijn
eis om een paleis te mogen bouwen en redde ze hem uit de klauwen van de dood.
Andere verbrokkelde teksten beschrijven in zeer erotische stijl haar als zijn
geliefde.......”
BK 51. Near
Eastern Mythology, John Gray, 1969+1982.
Blz 81:
“The goddess proves her vitality by herding ‘young men’ into her temple and
indulging in a bloodbath…. The bloody work done, the redoubtable goddess cleans
and desanctifies the temple and with truly divine aplomb turns to her own
toilet:
‘She scoops up water and washes,
Even dew of heaven, the fatness of the earth,
The rain of Him who mounts the Clouds.
The dew which is poured forth by the stars;
She beautifies herself with snailpurple,
Drawn from a thousand tracts of the sea.’
…….. the
text may reflect the seasonal transition from the cult of Sea to that of Baal
at the end of summer, the sea-faring season.”
BK 37. Phoenicia and the Phoenicians, Dimitri Baramki, Beirut 1961.
Blz 49: uit
Obermann, Ugaritic Mythology: Hymns Invitation to Anat:
‘Ye
(shall) put a gem on her breast:
As a token of the love of Aliyan Baal,
Of the loyal(ty)? Of Pidriya, daughter of Ar,
Of the devotion of Tilliya, daughter of Rabb,
Of the love of Arsiya, daughter of Ya’buddar,
Like stewards then do ye enter:
At the feet of Anat crouch ye and fall down,
Prostrate youselves and honor her.’
Blz 57:
“Anat eventually arrived at the abode of the dead inside the earth and found
the bdy of Aliyan (Baal). She carried it to heights of Saphon, where she buried
hem, and sacrified to him. She then sought out Mot and implored to restore
Aliyan to life, but he refused. She lay hold of Mot and killed him.”
ANAT.
(H)anat (akkadisch), ‘nt (ugaritisch+fenicisch).
West-Semietische godin, die genoemd wordt bij het
verschijnen van amorietische stammen rond 2000 v.C. Haar naam is identiek aan
de naam van de stad (H)anat of ‘anat aan de midden-Eufraat en zij wordt
verbonden met de stam van ‘Anah (KAI 202 = TSSI II,5 A2). In het akkadisch
wordt deze stam ḥana genoemd in het 2e en 1e millennium
v.C.
In de literatuur van Ugarit is Anat de lotgenoot van Baal,
de god van het onweer. Zij wordt geacht de wolken te verzamelen, maar ook om
de dauw te verspreiden, hetgeen aanleiding geeft om haar naam te verbinden
aan het grondwoord ‘an, waar het zelfstandig naamwoord ‘anan = “wolk” vandaan
komt. De cultus van Anat verspreidt zich in het 2e millennium v.C
over grote delen van Syro-Palestina en Egypte. Zij blijft aanwezig tot aan de
hellenistische periode in sommige fenicische kringen.
Bij het begin van de 7e eeuw v.C wordt de godin
vereerd op Cyprus te Idalion (RES 453, 1210) en te Lapethos, waar zij
geassimileerd is met Athene en de bijnaam “toevluchtsoord van de levenden”
krijgt (= m‘z ḥym , KAI 42).
In Egypte wordt Anat geassimileerd met Isis. In Carthago
en Hadrumetum komt ‘nt voor in een paar persoonsnamen (Benz, Names, p.382).
Verder zien we Anat verschijnen in het verdrag van Baal I van Tyrus en Anat
wordt ook genoemd in Elephantine (AP 22.125). In die laatste plaats komt
tevens een Anat-Yahvé voor (AP 44.3). Bij Anatram van Delos (ID 2314) zijn we
al wat verwijderd van de eigenlijke naam Anat. Wellicht komt de naam ook
verscholen voor in:
- ‘wnt’dy bl = goddelijk kantoor van Bel (Palmyra RTP 37);
- ‘Atta’ zit in de naam Atargis (‘tr‘t’/b in aramees).
Literatuur:
- Dictionnaire
de la civilisation Phénicienne et Punique, E.Lipinski, Brepols, 1992.
- I rapporti
politici di Tiro con l’Assiria alla luce del trattato tra Assarhaddon e Baal,
G.Pettinato, RSF III > Anati (M.35.9).
BK 86. De eerste heldendichten, Midden-Oosterse mythen
door o.a. Piers Vitebsky, 1997.
blz 99: “Een ander belangrijk element in de cyclus is
Baäl’s relatie met de godin Anat. Als zijn trouwe en slagvaardige zus steunde
ze zijn eis om een paleis te mogen bouwen en redde ze hem uit de klauwen van
de dood. Andere verbrokkelde teksten beschrijven in zeer erotische stijl haar
als zijn geliefde.......”
BK 51.
Near Eastern Mythology, John Gray, 1969+1982.
Blz 81:
“The goddess proves her vitality by herding ‘young men’ into her temple and
indulging in a bloodbath…. The bloody work done, the redoubtable goddess
cleans and desanctifies the temple and with truly divine aplomb turns to her
own toilet:
‘She scoops up water and washes,
Even dew of heaven, the fatness of the earth,
The rain of Him who mounts the Clouds.
The dew which is poured forth by the stars;
She beautifies herself with snailpurple,
Drawn from a thousand tracts of the sea.’
…….. the
text may reflect the seasonal transition from the cult of Sea to that of Baal
at the end of summer, the sea-faring season.”
BK 37.
Blz 49:
uit Obermann, Ugaritic Mythology: Hymns Invitation to Anat:
‘Ye
(shall) put a gem on her breast:
As a token of the love of Aliyan Baal,
Of the loyal(ty)? Of Pidriya, daughter of Ar,
Of the devotion of Tilliya, daughter of Rabb,
Of the love of Arsiya, daughter of Ya’buddar,
Like stewards then do ye enter:
At the feet of Anat crouch ye and fall down,
Prostrate youselves and honor her.’
Blz 57:
“Anat eventually arrived at the abode of the dead inside the earth and found
the bdy of Aliyan (Baal). She carried it to heights of Saphon, where she
buried hem, and sacrified to him. She then sought out Mot and implored to
restore Aliyan to life, but he refused. She lay hold of Mot and killed him.”
|
ANAT.
(H) anat
(Akkadian), ‘nt (+ Ugaritic Phoenician).
West
Semitic goddess, called upon the appearance of Amorite tribes around 2000
B.C. Her name is identical to the name of the city (H)anat or anat the
mid-Euphrates and is connected to the tribe of ‘Anah (KAI = 202 TSSI II, 5 A2). In
Akkadian called this tribe ḥana in the 2nd and 1st millennium BC.
In the
literature of Ugarit Anat is the companion of Baal, the god of thunder. She
is supposed to gather the clouds, but also to spread the dew, giving rise to
her name connected to the root word 'an, where the noun ‘anan = "cloud" comes from. The
cult of Anat spreads in the 2nd millennium B.C over large parts of
Syro-Palestine and
At the
beginning of the 7th century BC, the goddess worshiped in Cyprus at Idalion
(RES 453, 1210) and Lapethos, where she is getting assimilated with Athena and
gets the nickname "refuge of the living" (= m'z hym, KAI 42).
In Egypt
Anat assimilated with
- 'Wnt'dy
bl = divine office, call (RTP Palmyra 37);
- 'Atta'
is in the name Atargis (tr't '/ b in Aramaic).
Literature:
- Dictionnaire
de la civilization Phénicienne et Punique, E.Lipinski, Brepols, 1992.
- I rapporti
politicians di Tiro con l'Assiria alla luce del trattato tra Assarhaddon e
Baal G.Pettinato, RSF III> Anati (M.35.9).
BK 86.
The first epics, Middle Eastern myths by Piers Vitebsky, 1997.
P. 99:
"Another important element in the cycle is Baal's relationship with the
goddess Anat. As his loyal and decisive sister she supported his demand to be
allowed to build a palace and saved him from the clutches of death. Other
texts describe fragmented in very erotic style her as his lover .......
"
BK 51.
Near Eastern Mythology, John Gray, 1969+1982.
p. 81:
“The goddess proves her vitality by herding ‘young men’ into her temple and
indulging in a bloodbath…. The bloody work done, the redoubtable goddess
cleans and desanctifies the temple and with truly divine aplomb turns to her
own toilet:
‘She scoops up water and washes,
Even dew of heaven, the fatness of the earth,
The rain of Him who mounts the Clouds.
The dew which is poured forth by the stars;
She beautifies herself with snailpurple,
Drawn from a thousand tracts of the sea.’
…….. the
text may reflect the seasonal transition from the cult of Sea to that of Baal
at the end of summer, the sea-faring season.”
BK 37.
p. 49:
uit Obermann, Ugaritic Mythology: Hymns Invitation to Anat:
‘Ye
(shall) put a gem on her breast:
As a token of the love of Aliyan Baal,
Of the loyal(ty)? Of Pidriya, daughter of Ar,
Of the devotion of Tilliya, daughter of Rabb,
Of the love of Arsiya, daughter of Ya’buddar,
Like stewards then do ye enter:
At the feet of Anat crouch ye and fall down,
Prostrate youselves and honor her.’
p. 57:
“Anat eventually arrived at the abode of the dead inside the earth and found
the body of Aliyan (Baal). She carried it to heights of Saphon, where she
buried hem, and sacrified to him. She then sought out Mot and implored to
restore Aliyan to life, but he refused. She lay hold of Mot and killed him.”
Een beetje dubbel. |
AMON
AMON.
Dit is geen fenicische godheid, maar hij werd wel aanbeden
door de Feniciërs. ’Imn (egyptisch), ’mn (fenicisch), ’Amon (hebreeuws),
Amanu/Amunu (akkadisch), Amon (grieks). Amon was de lokale godheid van Thebe in
Boven-Egypte en werd tijdens het Nieuwe Rijk de hoogste godheid van Egypte. Hij
werd geassimileerd met de zonnegod Ré onder de naam Amon-Ré. Zijn heilige dier
was het schaap. Amon werd ook de grote god van de 21e dynastie
tussen 1070 en 945 v.C, waarvan de regering in Tanis in de Nijldelta samenvalt
met de oudste getuigenissen van de cultus in Fenicië, zoals bijvoorbeeld naar
voren komt in het reisverslag van Wen Amon. De fenicische schaal van Tekké op
Kreta (10e eeuw v.C) is aan Amon gewijd. Zijn naam komt ook voor in
fenicische persoonsnamen en dat geldt ook voor Ré, zoals ‘bdr‘ en r‘mlk.
Sommige Feniciërs uit Egypte hebben Amon en/of Réook in hun namen opgenomen
(inscripties CIS I, 3778; 5789). Hun namen staan gegraveerd op scarabee’s, die
gevonden zijn in fenicische en punische plaatsen. In de latere tijden en
tijdens de Grieks/Romeinse periode speelt het heiligdom van Zeus Ammon in de
oase van Siwa een internationale rol van betekenis.
Literatuur:
- A.Lemaire, Divinités égyptiennes dans l’onomastique phénicienne,
St.Phoen.4 (1980) p.87-98.
- E.Lipinski e.a. : Dictionnaire de la civilisation Phénicienne et
Punique, Brepols, Leuven, 1992.
|
AMON.
Dit is geen fenicische godheid, maar hij werd wel aanbeden
door de Feniciërs. ’Imn (egyptisch), ’mn (fenicisch), ’Amon (hebreeuws),
Amanu/Amunu (akkadisch), Amon (grieks). Amon was de lokale godheid van Thebe
in Boven-Egypte en werd tijdens het Nieuwe Rijk de hoogste godheid van
Egypte. Hij werd geassimileerd met de zonnegod Ré onder de naam Amon-Ré. Zijn
heilige dier was het schaap. Amon werd ook de grote god van de 21e
dynastie tussen 1070 en 945 v.C, waarvan de regering in Tanis in de Nijldelta
samenvalt met de oudste getuigenissen van de cultus in Fenicië, zoals
bijvoorbeeld naar voren komt in het reisverslag van Wen Amon. De fenicische
schaal van Tekké op Kreta (10e eeuw v.C) is aan Amon gewijd. Zijn
naam komt ook voor in fenicische persoonsnamen en dat geldt ook voor Ré,
zoals ‘bdr‘ en r‘mlk. Sommige Feniciërs uit Egypte hebben Amon en/of Ré ook
in hun namen opgenomen (inscripties CIS I, 3778; 5789). Hun namen staan
gegraveerd op scarabee’s, die gevonden zijn in fenicische en punische
plaatsen. In de latere tijden en tijdens de Grieks/Romeinse periode speelt
het heiligdom van Zeus Ammon in de oase van Siwa een internationale rol van
betekenis.
Literatuur:
- A.Lemaire, Divinités égyptiennes dans l’onomastique phénicienne,
St.Phoen.4 (1980) p.87-98.
- E.Lipinski e.a. : Dictionnaire de la civilisation Phénicienne et
Punique, Brepols, Leuven, 1992.
|
AMON.
This is
not a Phoenician deity, but became worshiped by the Phoenicians. ’IMN
(Egyptian), ’mn (Phoenician), ’Amon (Hebrew), Amanu / Amunu (Akkadian), Amon
(Greek). Amon was the local deity of
Literature:
- A.Lemaire, Divinités Egyptiennes dans l'onomastique phénicienne,
St.Phoen.4 (1980) p.87-98.
- E.Lipinski et al: Dictionnaire de la civilization Phénicienne et
Punique, Brepols, Leuven, 1992.
|
ADONIS
ADONIS
Inleiding:
Deze naam is een grieks-latijnse godennaam en tot stand
gekomen door het woord ’adoni te gebruiken van de noordwest-Semietische culten
= heer. Het werd reeds gebruikt als een goddelijke toevoeging in het 3e
millennium v.C. Het is het zelfstandig naamwoord ’adanu > ’adon, dat
voorzien werd van het achtervoegsel –iy / -î voor de eerste persoon enkelvoud =
mijn heer. We komen het als zodanig tegen in aanroepende formules van de
Papyrus Amherst 63, kolom 12 (13). In de semietische teksten verwijst het niet
naar een of andere godheid in het bijzonder, behalve in joodse overleveringen,
waar het meervoud van majesteit ’Adonay letterlijk “mijne heren” betekent en
een surrogaat is voor de onuitsprekelijke naam van Yahvé.
The world
of the Phoenicians, Sabatino Moscati in a translation by Alastair Hamilton:
p.58: The
third god of Byblos ,
Adonis, is only given this name by the Greek authors. The name, however, is
obviously Semitic – adon = ‘master’, and the pronominal suffix, -î, ‘my
master’. The same Greek sources present the figure of a young god who dies and
resurrected. He expresses the animal death and rebirth of earthly vegetation
and is thereby connected with the figure of the mother goddess in the cult and
the myth …………
The Greek
myth is an obvious repetition of the ancient Oriental myth of Dumuzi, Tammuz,
Osiris , Telipinu, Baal, …………….
p.65: The
sanctuary of Aphka was in the Lebanese
mountains at the source of the river Adonis, now Nahr Ibrahim. Offerings to
Astarte were cast into a bowl…………..
As the
river neared the sea the riverwater occasionally turned in reddish colour.
Lucian relates that according to the faithful the red was the blood of
Adonis……………………
Griekse
mythologie:
Adonis is
hierin de held, die bemind wordt door Aphrodite. Hij blijkt de zoon te
zijn van verschillende personen volgens evenzovele overleveringen. Afhankelijk
van de bron zijn dat Cinyras en Myrrha, of van Phoenix en Alphesiboea, of van
Cinyras en Methaene, of van Théas en Myrrha. Om zijn schoonheid te bewaren
verborg Aphrodite hem in een korf, die ze aan Persephoné toevertrouwde. Toen
hij op de jacht door een wild zwijn gedood was, verkreeg Aphrodité gedaan, dat
hij slechts de helft van het jaar bij Persephoné in de onderwereld behoefde te
blijven, de andere helft van het jaar brengt hij bij de goden door op de
Olympus. Uit zijn bloed ontstond de tedere en kort bloeiende anemoon. Een
versie van het verhaal houdt in, dat Persephoné Adonis niet meer wil
teruggeven. Toen besliste Zeus, dat Adonis een derde van het jaar bij Aphrodite
en een derde van het jaar bij Persephoné zou blijven, terwijl hij over een
derde van het jaar vrij zou kunnen beschikken. Adonis verkoos ook die tijd met
Aphrodité door te brengen.
Oorsprong en aard:
De mythe heeft echter ondanks de griekse hoge vlucht een
semietische oorsprong en wel duidelijk fenicisch. De naam komt dan ook van ’dn
= heer, hetgeen een toevoegsel is voor koningen en goden. Hij wordt
geidentificeerd als Osiris en
Dumuzi/Tammuz volgens diverse bronnen in latere tijden. Waar stond de godheid
eigenlijk voor? Daar circuleren verschillende meningen over, zoals ‘geest van
de vegetatie’, ‘stervende god’, ‘agrarisch karakter’, ‘Ešmoen’, ‘parfum als
attribuut’, ‘de mislukte jager’. De oorsprong is echter duidelijk fenicisch met
een godheid, die sterft en toch weer komt tot een wederopstanding. Adon wordt
echter in de loop der tijd totaal vergriekst, waarbij hij als Adonis
mysterieuze culten en hele tuinen krijgt bijgevoegd.
Adonis-feesten:
In Griekenland werden feesten in de hoogzomer gehouden ter
ere van Adonis, Deze veelal orgiastische feesten eindigden met klaagzangen over
de dood van de held. In Athene werd in de 5e eeuw v.C het feest
georganiseerd door vrouwen op de daken van de huizen. In Alexandrië werd in de
3e eeuw na Chr. het feest in het koninklijk paleis gevierd in
aanwezigheid van de koningin als het schijnbeeld van Adonis. In Byblos werd in
de keizertijd een Adonis vereerd tijdens openbare feesten, waaraan ook mannen
deelnamen. Hieraan werd de heilige prostitutie van de vrouwen gekoppeld. Na de
klaagzangen over de dood van de helden volgden hier echter vreugdevolle
liederen over de wederopstanding (égersis). In al deze plaatsen werden speciale
Adonis-tuinen aangelegd.
Ammianus Marcellinus schrijft over het festival van Adonis
in Byblos in de 4e eeuw v.C het volgende: “Bij de dood van koning Grumbates tegen de Perzen tijdens Constantijn
(337-361 na Chr) wordt een begrafenisceremonie gehouden: de vrouwen beklagen
zich luid over de hoop van de natie, die neergemaaid werden in de bloem van hun
jeugd, terwijl zij zich kommervol en huilend op de gebruikelijke manier op de
borst slaan. Net zoals de priesteressen van Venus worden gezien in het treuren
bij het jaarlijkse festival van Adonis, dat, zoals de mystieke kennis van de
religie ons verteld, een soort symbool is van rijpend graan.”
Syro-fenicische cultus:
De ontdekking van een tempel voor Adonis te Dura-Eurropos
geeft inzicht in de cultus in het semietische milieu. Deze tempel is voorzien
van een lange toegang (54m lang en 8-11m breed). De eigenlijke tempel bestaat
uit een boog over de ‘naos’, geflankeerd door 2 kamers. Daarnaast staat een
tempel van Atargis en ook zijn er nog 9 aparte zalen, waar de
‘thiases’(=Marzeh) bijeenkwamen. Geen enkele andere tempel bevat hier zoveel
ruimtes voor de heilige banketten.
In 181/182 na Chr. worden een zuilengalerij en een
provisiekamer toegevoegd aan het tempelcomplex, hetgeen er op wijst, dat het
een onderdeel vormt voor de heilige maaltijden. De wijding vind plaats door 2
personen, een met een arabische naam Solaios en een met arameese naam Gornaios
(zoon van de hogepriester en tevens ‘desmophulax’). Dat laatste is een titel
voor een heilige functionaris voor de cultus van Adonis.Dit soort wijding ging
niet gepaard met offers, want in het hele tempelcomplex is geen enkel altaar
aangetroffen. Adonis blijkt in Dura-Europos een agrarisch getinte godheid te
zijn en daarbinnen speciaal een wijnngod. Op andere plaatsen beschikt Adonis
over tuinen, die voorzien zijn van taveernes, waar de wijn gedronken wordt.
Soms beschikt hij zelfs over een heilig bos, zoals te Bethléem: “Bethleem lucus adumbrat Thamuz, id est
Adonidis” (Jér., Ep. 58,3).
Punische cultus:
Deze wordt in Noord-Afrika aangetroffen in de Romeinse
periode. Een ‘sacerdos Adonis’ wordt genoemd in een inscriptie uit Béchateur
(Thisi, IL Tun I 1188) en uit een wijding uit de omgeving van Nepheris vanuit
de jaren 198 en 209 na Chr., die begint met de woorden “Adoni Aug(usto) sac(rum)” (CIL.VIII, 24031). Deze titel refereert
niet aan de Syro-fenicische Adonis, maar gewoon aan Baal Hamon (afrikaanse
Saturnus).
De Adonis van
Byblos:
Byblos et la fête
des Adonis, Brigitte Soyez, Leiden, E.J.Brill 1977.
Les fêtes adonidiennes
apparaissent, au terme de cet ouvrage, comme le noyau de vie cultuelle giblite.
Sans remettre en cause la définition même du mythe, la question de la date des
Adonies nous a permis d’ébaucher leur origine à la fois historique et poétique,
les conditions qu’elles nécessitaient et la manière dont elles se déroulaient.
J’insisterai davantage, pour finir, sur la
notion de couple qu’impose la présence, à la tête du panthéon local, de deux
divinités cardinales, Adonis et Ba‘alat. Cette dualité est loin, en fait,
d’être un phénomène unique. Si l’on accepte le cas de Béryte, dont les cultes
sont largement calqués sur la croyances syriennes et, plus spécifiquement
héliopotaines, Sidon et Tyr connaissent, elles aussi, la dyade.
Tout porte donc à
croire, qu’il faut chercher ailleurs qu’en Phénicie les origines de la trinité dont
les Syriens firent au contraire grand usage. Les panthéons côtiers, en profonde
mutation à partir de la période hellénistique, sont unanimement fidèles à la
fécondité ancestrale, symbolisée par l’une ou l’autre forme d’Astarte. Mais à
ses cotés une entité nouvellement créeé. Que l’on peut qualifier de dieu jeune,
a supplanté Ba‘al.
Nous entrevoyons
là une révolution commune dans la mentalité religieuse du temps ; une
continuité existe puisqu’Adonis est devenu, au même titre qu’Eshmun et que
Melqart, la dépositaire de la fertilité vitale de la nature, mais on devine,
davantage encore, la marque d’une ouverture car l’inquiétude enracinée dans la
personnalité de Ba‘al disparaît peu à peu avec la naissance d’espoir auquel
participent les divers avatars de l’Adonis giblite. La perspective divine
s’est, en somme, élargie. La peur fait place à l’espérance ; la salut est
tout proche et la moisson ne cessera jamais d’être abondante.
Literatuur :
- E.Lipinski,
Dictionnaire de la civilisation Phénicienne et Punique, Brepols, Leuven 1992.
- W.Atallah,
Adonis dans la littérature et l’art grecs, Paris 1966.
- G.Piccaluga,
Adonis e i profumi di un certo strutturalismo, Maia n.s.26 (1974).
Adonis, i
cacciatori falliti e l’avvento dell’agricoltura, Il mito greca, Roma 1977,
p.33-48.
- B.Soyez, Byblos
et la fête des Adonies, Leiden 1977.
- S.Ribinchini,
Adonis, Aspetti ‘orientali’ di un mito greco, Roma 1981.
Adonis.
Relazioni del Colloquio in Roma (1981), Roma 1984.
- G.J.Baudy, Adonisgärten. Studien zur antiken
Samensymbolik, Königstein, 1986.
-
M.J.Rostovtzelf + F.E.Brown + C.B.Welles, The Excavations at Dura-Europos,
Preliminary Report of the Seventh and Eight Seasons of Work 1933-1934 and
1934-1935. New Haven
1939.
- F.Cumoni,
Les desmophulax d’Adonis, Syria
22 (1941). P.292-295.
J.T.Milik,
Dédicaces faites par des dieux (Palmyre, Hatra, Tyr) et des thiases sémitiques
à l’époque romaine, Paris 1972, p.142, 204-205.
- J.Toutain,
Bulletin de la societé nationale des Antiquaires de France 1915, p.269-299 +
BAC 1918 p.CLXX – CLXXII.
- Sabatino
Moscati, The world of the Phoenicians.
-
G.E.Markoe, Phoenicians, Berkely, 2000.
-
C.R.Krahmalkov, Phoenician-Punic Dictionary, Leuven 2000.
|
ADONIS
Inleiding:
Deze naam is een grieks-latijnse godennaam en tot stand
gekomen door het woord ’adoni te gebruiken van de noordwest-Semietische
culten = heer. Het werd reeds gebruikt als een goddelijke toevoeging in het 3e
millennium v.C. Het is het zelfstandig naamwoord ’adanu > ’adon, dat
voorzien werd van het achtervoegsel –iy / -î voor de eerste persoon enkelvoud
= mijn heer. We komen het als zodanig tegen in aanroepende formules van de
Papyrus Amherst 63, kolom 12 (13). In de semietische teksten verwijst het
niet naar een of andere godheid in het bijzonder, behalve in joodse
overleveringen, waar het meervoud van majesteit ’Adonay letterlijk “mijne
heren” betekent en een surrogaat is voor de onuitsprekelijke naam van Yahvé.
The world
of the Phoenicians, Sabatino Moscati in a translation by Alastair Hamilton:
p.58: The
third god of
The Greek
myth is an obvious repetition of the ancient Oriental myth of Dumuzi, Tammuz,
Os
p.65: The
sanctuary of Aphka was in the Lebanese
mountains at the source of the river Adonis, now Nahr Ibrahim. Offerings to
Astarte were cast into a bowl…………..
As the
river neared the sea the riverwater occasionally turned in reddish colour.
Lucian relates that according to the faithful the red was the blood of
Adonis……………………
Griekse mythologie:
Adonis is hierin de held, die bemind wordt door Aphrodite.
Hij blijkt de zoon te zijn van verschillende personen volgens evenzovele
overleveringen. Afhankelijk van de bron zijn dat Cinyras en Myrrha, of van
Phoenix en Alphesiboea, of van Cinyras en Methaene, of van Théas en Myrrha.
Om zijn schoonheid te bewaren verborg Aphrodite hem in een korf, die ze aan
Persephoné toevertrouwde. Toen hij op de jacht door een wild zwijn gedood
was, verkreeg Aphrodité gedaan, dat hij slechts de helft van het jaar bij
Persephoné in de onderwereld behoefde te blijven, de andere helft van het
jaar brengt hij bij de goden door op de Olympus. Uit zijn bloed ontstond de
tedere en kort bloeiende anemoon. Een versie van het verhaal houdt in, dat
Persephoné Adonis niet meer wil teruggeven. Toen besliste Zeus, dat Adonis
een derde van het jaar bij Aphrodite en een derde van het jaar bij Persephoné
zou blijven, terwijl hij over een derde van het jaar vrij zou kunnen
beschikken. Adonis verkoos ook die tijd met Aphrodité door te brengen.
Oorsprong en aard:
De mythe heeft echter ondanks de griekse hoge vlucht een
semietische oorsprong en wel duidelijk fenicisch. De naam komt dan ook van
’dn = heer, hetgeen een toevoegsel is voor koningen en goden. Hij wordt
geidentificeerd als Os
Adonis-feesten:
In Griekenland werden feesten in de hoogzomer gehouden ter
ere van Adonis, Deze veelal orgiastische feesten eindigden met klaagzangen
over de dood van de held. In Athene werd in de 5e eeuw v.C het
feest georganiseerd door vrouwen op de daken van de huizen. In Alexandrië
werd in de 3e eeuw na Chr. het feest in het koninklijk paleis
gevierd in aanwezigheid van de koningin als het schijnbeeld van Adonis. In
Byblos werd in de keizertijd een Adonis vereerd tijdens openbare feesten,
waaraan ook mannen deelnamen. Hieraan werd de heilige prostitutie van de
vrouwen gekoppeld. Na de klaagzangen over de dood van de helden volgden hier
echter vreugdevolle liederen over de wederopstanding (égersis). In al deze
plaatsen werden speciale Adonis-tuinen aangelegd.
Ammianus Marcellinus schrijft over het festival van Adonis
in Byblos in de 4e eeuw v.C het volgende: “Bij de dood van koning Grumbates tegen de Perzen tijdens Constantijn
(337-361 na Chr) wordt een begrafenisceremonie gehouden: de vrouwen beklagen
zich luid over de hoop van de natie, die neergemaaid werden in de bloem van
hun jeugd, terwijl zij zich kommervol en huilend op de gebruikelijke manier
op de borst slaan. Net zoals de priesteressen van Venus worden gezien in het
treuren bij het jaarlijkse festival van Adonis, dat, zoals de mystieke kennis
van de religie ons verteld, een soort symbool is van rijpend graan.”
Syro-fenicische cultus:
De ontdekking van een tempel voor Adonis te Dura-Eurropos
geeft inzicht in de cultus in het semietische milieu. Deze tempel is voorzien
van een lange toegang (54m lang en 8-11m breed). De eigenlijke tempel bestaat
uit een boog over de ‘naos’, geflankeerd door 2 kamers. Daarnaast staat een
tempel van Atargis en ook zijn er nog 9 aparte zalen, waar de
‘thiases’(=Marzeh) bijeenkwamen. Geen enkele andere tempel bevat hier zoveel
ruimtes voor de heilige banketten.
In 181/182 na Chr. worden een zuilengalerij en een
provisiekamer toegevoegd aan het tempelcomplex, hetgeen er op wijst, dat het
een onderdeel vormt voor de heilige maaltijden. De wijding vind plaats door 2
personen, een met een arabische naam Solaios en een met arameese naam
Gornaios (zoon van de hogepriester en tevens ‘desmophulax’). Dat laatste is
een titel voor een heilige functionaris voor de cultus van Adonis. Dit soort
wijding ging niet gepaard met offers, want in het hele tempelcomplex is geen
enkel altaar aangetroffen. Adonis blijkt in Dura-Europos een agrarisch
getinte godheid te zijn en daarbinnen speciaal een wijngod. Op andere
plaatsen beschikt Adonis over tuinen, die voorzien zijn van taveernes, waar
de wijn gedronken wordt. Soms beschikt hij zelfs over een heilig bos, zoals
te Bethléem: “Bethleem lucus adumbrat
Thamuz, id est Adonidis” (Jér., Ep. 58,3).
Punische cultus:
Deze wordt in Noord-Afrika aangetroffen in de Romeinse
periode. Een ‘sacerdos Adonis’ wordt genoemd in een inscriptie uit Béchateur
(Thisi, IL Tun I 1188) en uit een wijding uit de omgeving van Nepheris vanuit
de jaren 198 en 209 na Chr., die begint met de woorden “Adoni Aug(usto) sac(rum)” (CIL.VIII, 24031). Deze titel refereert
niet aan de Syro-fenicische Adonis, maar gewoon aan Baal Hamon (afrikaanse
Saturnus).
De Adonis van
Byblos:
Byblos et la
fête des Adonis, Brigitte Soyez, Leiden, E.J.Brill 1977.
Les fêtes
adonidiennes apparaissent, au terme de cet ouvrage, comme le noyau de vie
cultuelle giblite. Sans remettre en cause la définition même du mythe, la
question de la date des Adonies nous a permis d’ébaucher leur origine à la
fois historique et poétique, les conditions qu’elles nécessitaient et la
manière dont elles se déroulaient.
J’insisterai davantage, pour finir, sur la
notion de couple qu’impose la présence, à la tête du panthéon local, de deux
divinités cardinales, Adonis et Ba‘alat. Cette dualité est loin, en fait,
d’être un phénomène unique. Si l’on accepte le cas de Béryte, dont les cultes
sont largement calqués sur la croyances syriennes et, plus spécifiquement
héliopotaines, Sidon et Tyr connaissent, elles aussi, la dyade.
Tout porte donc
à croire, qu’il faut chercher ailleurs qu’en Phénicie les origines de la
trinité dont les Syriens firent au contraire grand usage. Les panthéons
côtiers, en profonde mutation à partir de la période hellénistique, sont
unanimement fidèles à la fécondité ancestrale, symbolisée par l’une ou
l’autre forme d’Astarte. Mais à ses cotés une entité nouvellement créeé. Que
l’on peut qualifier de dieu jeune, a supplanté Ba‘al.
Nous
entrevoyons là une révolution commune dans la mentalité religieuse du
temps ; une continuité existe puisqu’Adonis est devenu, au même titre
qu’Eshmun et que Melqart, la dépositaire de la fertilité vitale de la nature,
mais on devine, davantage encore, la marque d’une ouverture car l’inquiétude enracinée
dans la personnalité de Ba‘al disparaît peu à peu avec la naissance d’espoir
auquel participent les divers avatars de l’Adonis giblite. La perspective
divine s’est, en somme, élargie. La peur fait place à l’espérance ; la
salut est tout proche et la moisson ne cessera jamais d’être abondante.
Literatuur :
- E,Lipinski,
Dictionnaire de la civilisation Phénicienne et Punique, Brepols, Leuven 1992.
- W.Atallah,
Adonis dans la littérature et l’art grecs, Paris 1966.
- G.Piccaluga,
Adonis e i profumi di un certo strutturalismo, Maia n.s.26 (1974).
Adonis, i
cacciatori falliti e l’avvento dell’agricoltura, Il mito greca, Roma 1977,
p.33-48.
- B.Soyez,
Byblos et la fête des Adonies, Leiden 1977.
- S.Ribinchini,
Adonis, Aspetti ‘orientali’ di un mito greco, Roma 1981.
Adonis. Relazioni del Colloquio in Roma (1981), Roma 1984.
- G.J.Baudy, Adonisgärten. Studien zur antiken
Samensymbolik, Königstein, 1986.
-
M.J.Rostovtzelf + F.E.Brown + C.B.Welles, The Excavations at Dura-Europos,
Preliminary Report of the Seventh and Eight Seasons of Work 1933-1934 and
1934-1935.
-
F.Cumoni, Les desmophulax d’Adonis,
J.T.Milik,
Dédicaces faites par des dieux (Palmyre, Hatra, Tyr) et des thiases
sémitiques à l’époque romaine, Paris 1972, p.142, 204-205.
- J.Toutain,
Bulletin de la societé nationale des Antiquaires de France 1915, p.269-299 +
BAC 1918 p.CLXX – CLXXII.
-
Sabatino Moscati, The world of the Phoenicians.
-
G.E.Markoe, Phoenicians, Berkely, 2000.
-
C.R.Krahmalkov, Phoenician-Punic Dictionary, Leuven 2000.
|
ADONIS
Introduction:
This name
is a Greek-Latin Gods name and established by using the word ’adoni of the
Northwest Semitic cults = Mr. It was already used as a divine addition in the
3rd millennium BC. It is the noun 'adanu> adon, which was completed with
the suffix -iy / -i for the first person singular = my lord. We come as such
against the calling in of the formulas Papyrus Amherst 63, column 12 (13). In
the Semitic texts it does not refer to any deity in particular, except in
Jewish traditions, where the plural of majesty "Adonay literally "
gentlemen " and means a substitute for the ineffable name of Yahvé.
The world
of the Phoenicians, Sabatino Moscati in a translation by Alastair Hamilton:
p.58: The
third god of
The Greek
myth is an obvious repetition of the ancient Oriental myth of Dumuzi, Tammuz,
Os
p.65: The
sanctuary of Aphka was in the Lebanese
mountains at the source of the river Adonis, now Nahr Ibrahim. Offerings to
Astarte were cast into a bowl…………..
As the
river neared the sea the riverwater occasionally turned in reddish colour.
Lucian relates that according to the faithful the red was the blood of
Adonis……………………
ADONIS
(part 2).
Greek
mythology:
Adonis,
the hero, who is loved by Aphrodite. He turns out to be the son of different
people claimed so many traditions. Depending on the source that are: Cinyras
and Myrrha, or
Origin
and nature:
However,
the myth, despite the Greek booming, is of Semitic origin and obvious
Phoenician. The name also comes from 'dn = gentleman, which is an additive
for kings and gods. He is identified as Os
Adonis
festivals:
In
Ammianus
Marcellinus writes about the festival of Adonis at Byblos in the 4th century
BC that "The death of King Grumbates against the Persians during
Constantine (337-361 AD) a funeral ceremony is held: the women complain
loudly about hope of the nation, which mowed down in the flower of their
youth were, while they beat their woeful and crying in the usual way on the
chest. Just as the priestesses of Venus were seen in grieving at the annual
festival of Adonis, that, as the mystical knowledge of religion tells us, is
a kind of symbol of ripening grain. "
ADONIS
(part 3).
Syro-Phoenician
cult:
The
discovery of a temple to Adonis to Dura-Eurropos provides insight into the
cult in the Semitic environment. This temple has a long access (54m long and
8-11m wide). The actual temple consists of an arc about the "naos",
flanked by two rooms. In addition, a
In
181/182 AD a colonnade and a pantry was added to the temple complex, which
indicates that it is a part of the sacred meals. The ordination will take
place by two people, one with an Arabic name Solaios and with Aramaic name
Gornaios (son of the high priest and also 'desmophulax). The latter is a
title for a holy officer for the cult of Adonis. This kind of ordination was
not accompanied by sacrifices, because it is not found any altar in the
entire temple complex. Adonis appears in Dura-Europos to be an agricultural
deity and toned inside a specially god of the wine. In other places Adonis
boasts gardens, which feature taverns, where wine is drunk. Sometimes he even
has a sacred grove, as Bethléem "Bethleem lucus adumbrat Thamuz, id est
Adonidis" (Jer, Ep 58.3..).
ADONIS
(Part 4).
Punic
cult:
This is
found in
Adonis
van Byblos:
The
adonidiennes parties appear at the end of this book, as the living core of giblite
worship. Without calling into question the very definition of myth, the
question of the date of the Adonies allowed us to outline their origin both
historical and poetic, and the conditions they require and how they unfolded.
I
insist further, finally, on the concept of torque imposed by the presence at
the head of the local pantheon of deities two cardinal, Adonis and Ba'alat.
This duality is far, in fact, to be a unique phenomenon. If one accepts the
case of Berytus, whose services are broadly based on the Syrian beliefs and
specifically héliopotaines,
Everything
leads to believe, to look elsewhere than the Phoenician origins of the
trinity which the Syrians made great use instead. Coastal pantheons,
undergoing profound changes from the Hellenistic period were unanimously
faithful to ancestral fertility, symbolized by one or another form of
Astarte. But at his side a newly created entity, which can be described as
young god Ba'al supplanted.
We see
there a common religious revolution in the mentality of the time; continuity
exists because Adonis became, along with Eshmun and Melqart, the custodian of
the vital fertility of nature, but we guess, even more, make an opening for
the anxiety rooted in personality Ba'al gradually disappears with the birth
of hope involving the various avatars of Adonis giblite. God's perspective
is, in fact, increased. Fear makes room for hope; the salvation is at hand
and the harvest will never cease to be abundant.
Literatuur :
- E,Lipinski,
Dictionnaire de la civilisation Phénicienne et Punique, Brepols, Leuven 1992.
- W.Atallah,
Adonis dans la littérature et l’art grecs, Paris 1966.
- G.Piccaluga,
Adonis e i profumi di un certo strutturalismo, Maia n.s.26 (1974).
Adonis, i
cacciatori falliti e l’avvento dell’agricoltura, Il mito greca, Roma 1977,
p.33-48.
- B.Soyez,
Byblos et la fête des Adonies, Leiden 1977.
- S.Ribinchini,
Adonis, Aspetti ‘orientali’ di un mito greco, Roma 1981.
Adonis. Relazioni del Colloquio in Roma (1981), Roma 1984.
- G.J.Baudy, Adonisgärten. Studien zur antiken
Samensymbolik, Königstein, 1986.
-
M.J.Rostovtzelf + F.E.Brown + C.B.Welles, The Excavations at Dura-Europos,
Preliminary Report of the Seventh and Eight Seasons of Work 1933-1934 and
1934-1935. New Haven 1939.
- F.Cumoni, Les
desmophulax d’Adonis, Syria 22 (1941). P.292-295.
J.T.Milik,
Dédicaces faites par des dieux (Palmyre, Hatra, Tyr) et des thiases
sémitiques à l’époque romaine, Paris 1972, p.142, 204-205.
- J.Toutain,
Bulletin de la societé nationale des Antiquaires de France 1915, p.269-299 +
BAC 1918 p.CLXX – CLXXII.
-
Sabatino Moscati, The world of the Phoenicians.
-
G.E.Markoe, Phoenicians, Berkely, 2000.
-
C.R.Krahmalkov, Phoenician-Punic Dictionary, Leuven 2000.
|
Abonneren op:
Posts (Atom)