beheerder van de facebook groep: PHOENICIA: The history & legacy of the Phoenicians

zaterdag 29 oktober 2016

ANAT


ANAT.
(H)anat (akkadisch), ‘nt (ugaritisch+fenicisch).
West-Semietische godin, die genoemd wordt bij het verschijnen van amorietische stammen rond 2000 v.C. Haar naam is identiek aan de naam van de stad (H)anat of ‘anat aan de midden-Eufraat en zij wordt verbonden met de stam van ‘Anah (KAI 202 = TSSI II,5 A2). In het akkadisch wordt deze stam ḥana genoemd in het 2e en 1e millennium v.C.
In de literatuur van Ugarit is Anat de lotgenoot van Baal, de god van het onweer. Zij wordt geacht de wolken te verzamelen, maar ook om de dauw te verspreiden, hetgeen aanleiding geeft om haar naam te verbinden aan het grondwoord ‘an, waar het zelfstandig naamwoord ‘anan = “wolk” vandaan komt. De cultus van Anat verspreidt zich in het 2e millennium v.C over grote delen van Syro-Palestina en Egypte. Zij blijft aanwezig tot aan de hellenistische periode in sommige fenicische kringen.
Bij het begin van de 7e eeuw v.C wordt de godin vereerd op Cyprus te Idalion (RES 453, 1210) en te Lapethos, waar zij geassimileerd is met Athene en de bijnaam “toevluchtsoord van de levenden” krijgt (= m‘z ḥym , KAI 42).
In Egypte wordt Anat geassimileerd met Isis. In Carthago en Hadrumetum komt ‘nt voor in een paar persoonsnamen (Benz, Names, p.382). Verder zien we Anat verschijnen in het verdrag van Baal I van Tyrus en Anat wordt ook genoemd in Elephantine (AP 22.125). In die laatste plaats komt tevens een Anat-Yahvé voor (AP 44.3). Bij Anatram van Delos (ID 2314) zijn we al wat verwijderd van de eigenlijke naam Anat. Wellicht komt de naam ook verscholen voor in:
- ‘wnt’dy bl = goddelijk kantoor van Bel (Palmyra RTP 37);
- ‘Atta’ zit in de naam Atargis (‘tr‘t’/b in aramees).
Literatuur:
- Dictionnaire de la civilisation Phénicienne et Punique, E.Lipinski, Brepols, 1992.
- I rapporti politici di Tiro con l’Assiria alla luce del trattato tra Assarhaddon e Baal, G.Pettinato, RSF III > Anati (M.35.9).

BK 86. De eerste heldendichten, Midden-Oosterse mythen door o.a. Piers Vitebsky, 1997.
blz 99: “Een ander belangrijk element in de cyclus is Baäl’s relatie met de godin Anat. Als zijn trouwe en slagvaardige zus steunde ze zijn eis om een paleis te mogen bouwen en redde ze hem uit de klauwen van de dood. Andere verbrokkelde teksten beschrijven in zeer erotische stijl haar als zijn geliefde.......”

BK 51. Near Eastern Mythology, John Gray, 1969+1982.
Blz 81: “The goddess proves her vitality by herding ‘young men’ into her temple and indulging in a bloodbath…. The bloody work done, the redoubtable goddess cleans and desanctifies the temple and with truly divine aplomb turns to her own toilet:
She scoops up water and washes,
Even dew of heaven, the fatness of the earth,
The rain of Him who mounts the Clouds.
The dew which is poured forth by the stars;
She beautifies herself with snailpurple,
Drawn from a thousand tracts of the sea.’
…….. the text may reflect the seasonal transition from the cult of Sea to that of Baal at the end of summer, the sea-faring season.”

BK 37. Phoenicia and the Phoenicians, Dimitri Baramki, Beirut 1961.
Blz 49: uit Obermann, Ugaritic Mythology: Hymns Invitation to Anat:
 ‘Ye (shall) put a gem on her breast:
As a token of the love of Aliyan Baal,
Of the loyal(ty)? Of Pidriya, daughter of Ar,
Of the devotion of Tilliya, daughter of Rabb,
Of the love of Arsiya, daughter of Ya’buddar,
Like stewards then do ye enter:
At the feet of Anat crouch ye and fall down,
Prostrate youselves and honor her.’
Blz 57: “Anat eventually arrived at the abode of the dead inside the earth and found the bdy of Aliyan (Baal). She carried it to heights of Saphon, where she buried hem, and sacrified to him. She then sought out Mot and implored to restore Aliyan to life, but he refused. She lay hold of Mot and killed him.”

ANAT.
(H)anat (akkadisch), ‘nt (ugaritisch+fenicisch).
West-Semietische godin, die genoemd wordt bij het verschijnen van amorietische stammen rond 2000 v.C. Haar naam is identiek aan de naam van de stad (H)anat of ‘anat aan de midden-Eufraat en zij wordt verbonden met de stam van ‘Anah (KAI 202 = TSSI II,5 A2). In het akkadisch wordt deze stam ḥana genoemd in het 2e en 1e millennium v.C.
In de literatuur van Ugarit is Anat de lotgenoot van Baal, de god van het onweer. Zij wordt geacht de wolken te verzamelen, maar ook om de dauw te verspreiden, hetgeen aanleiding geeft om haar naam te verbinden aan het grondwoord ‘an, waar het zelfstandig naamwoord ‘anan = “wolk” vandaan komt. De cultus van Anat verspreidt zich in het 2e millennium v.C over grote delen van Syro-Palestina en Egypte. Zij blijft aanwezig tot aan de hellenistische periode in sommige fenicische kringen.
Bij het begin van de 7e eeuw v.C wordt de godin vereerd op Cyprus te Idalion (RES 453, 1210) en te Lapethos, waar zij geassimileerd is met Athene en de bijnaam “toevluchtsoord van de levenden” krijgt (= m‘z ḥym , KAI 42).
In Egypte wordt Anat geassimileerd met Isis. In Carthago en Hadrumetum komt ‘nt voor in een paar persoonsnamen (Benz, Names, p.382). Verder zien we Anat verschijnen in het verdrag van Baal I van Tyrus en Anat wordt ook genoemd in Elephantine (AP 22.125). In die laatste plaats komt tevens een Anat-Yahvé voor (AP 44.3). Bij Anatram van Delos (ID 2314) zijn we al wat verwijderd van de eigenlijke naam Anat. Wellicht komt de naam ook verscholen voor in:
- ‘wnt’dy bl = goddelijk kantoor van Bel (Palmyra RTP 37);
- ‘Atta’ zit in de naam Atargis (‘tr‘t’/b in aramees).
Literatuur:
- Dictionnaire de la civilisation Phénicienne et Punique, E.Lipinski, Brepols, 1992.
- I rapporti politici di Tiro con l’Assiria alla luce del trattato tra Assarhaddon e Baal, G.Pettinato, RSF III > Anati (M.35.9).

BK 86. De eerste heldendichten, Midden-Oosterse mythen door o.a. Piers Vitebsky, 1997.
blz 99: “Een ander belangrijk element in de cyclus is Baäl’s relatie met de godin Anat. Als zijn trouwe en slagvaardige zus steunde ze zijn eis om een paleis te mogen bouwen en redde ze hem uit de klauwen van de dood. Andere verbrokkelde teksten beschrijven in zeer erotische stijl haar als zijn geliefde.......”

BK 51. Near Eastern Mythology, John Gray, 1969+1982.
Blz 81: “The goddess proves her vitality by herding ‘young men’ into her temple and indulging in a bloodbath…. The bloody work done, the redoubtable goddess cleans and desanctifies the temple and with truly divine aplomb turns to her own toilet:
She scoops up water and washes,
Even dew of heaven, the fatness of the earth,
The rain of Him who mounts the Clouds.
The dew which is poured forth by the stars;
She beautifies herself with snailpurple,
Drawn from a thousand tracts of the sea.’
…….. the text may reflect the seasonal transition from the cult of Sea to that of Baal at the end of summer, the sea-faring season.”

BK 37. Phoenicia and the Phoenicians, Dimitri Baramki, Beirut 1961.
Blz 49: uit Obermann, Ugaritic Mythology: Hymns Invitation to Anat:
 ‘Ye (shall) put a gem on her breast:
As a token of the love of Aliyan Baal,
Of the loyal(ty)? Of Pidriya, daughter of Ar,
Of the devotion of Tilliya, daughter of Rabb,
Of the love of Arsiya, daughter of Ya’buddar,
Like stewards then do ye enter:
At the feet of Anat crouch ye and fall down,
Prostrate youselves and honor her.’
Blz 57: “Anat eventually arrived at the abode of the dead inside the earth and found the bdy of Aliyan (Baal). She carried it to heights of Saphon, where she buried hem, and sacrified to him. She then sought out Mot and implored to restore Aliyan to life, but he refused. She lay hold of Mot and killed him.”

ANAT.
(H) anat (Akkadian), ‘nt (+ Ugaritic Phoenician).
West Semitic goddess, called upon the appearance of Amorite tribes around 2000 B.C. Her name is identical to the name of the city (H)anat or anat the mid-Euphrates and is connected to the tribe of  ‘Anah (KAI = 202 TSSI II, 5 A2). In Akkadian called this tribe ḥana in the 2nd and 1st millennium BC.
In the literature of Ugarit Anat is the companion of Baal, the god of thunder. She is supposed to gather the clouds, but also to spread the dew, giving rise to her name connected to the root word 'an, where the noun  ‘anan = "cloud" comes from. The cult of Anat spreads in the 2nd millennium B.C over large parts of Syro-Palestine and Egypt. It remains up to the Hellenistic period in some Phoenician circles.
At the beginning of the 7th century BC, the goddess worshiped in Cyprus at Idalion (RES 453, 1210) and Lapethos, where she is getting assimilated with Athena and gets the nickname "refuge of the living" (= m'z hym, KAI 42).
In Egypt Anat assimilated with Isis. In Carthage and Hadrumetum is ‘nt used for a few personal names (Benz, Names, p.382). Furthermore, we see Anat in the treaty of Baal I of Tyre and Anat is also mentioned in Elephantine (AP 22 125). In the latter location will also be an Anat-for Yahvé (AP 44.3). When Anatram of Delos (ID 2314) appeared, we have already removed somewhat away of the actual name Anat. Perhaps the name is also tucked in for:
- 'Wnt'dy bl = divine office, call (RTP Palmyra 37);
- 'Atta' is in the name Atargis (tr't '/ b in Aramaic).
Literature:
- Dictionnaire de la civilization Phénicienne et Punique, E.Lipinski, Brepols, 1992.
- I rapporti politicians di Tiro con l'Assiria alla luce del trattato tra Assarhaddon e Baal G.Pettinato, RSF III> Anati (M.35.9).

BK 86. The first epics, Middle Eastern myths by Piers Vitebsky, 1997.
P. 99: "Another important element in the cycle is Baal's relationship with the goddess Anat. As his loyal and decisive sister she supported his demand to be allowed to build a palace and saved him from the clutches of death. Other texts describe fragmented in very erotic style her as his lover ....... "

BK 51. Near Eastern Mythology, John Gray, 1969+1982.
p. 81: “The goddess proves her vitality by herding ‘young men’ into her temple and indulging in a bloodbath…. The bloody work done, the redoubtable goddess cleans and desanctifies the temple and with truly divine aplomb turns to her own toilet:
She scoops up water and washes,
Even dew of heaven, the fatness of the earth,
The rain of Him who mounts the Clouds.
The dew which is poured forth by the stars;
She beautifies herself with snailpurple,
Drawn from a thousand tracts of the sea.’
…….. the text may reflect the seasonal transition from the cult of Sea to that of Baal at the end of summer, the sea-faring season.”

BK 37. Phoenicia and the Phoenicians, Dimitri Baramki, Beirut 1961.
p. 49: uit Obermann, Ugaritic Mythology: Hymns Invitation to Anat:
 ‘Ye (shall) put a gem on her breast:
As a token of the love of Aliyan Baal,
Of the loyal(ty)? Of Pidriya, daughter of Ar,
Of the devotion of Tilliya, daughter of Rabb,
Of the love of Arsiya, daughter of Ya’buddar,
Like stewards then do ye enter:
At the feet of Anat crouch ye and fall down,
Prostrate youselves and honor her.’
p. 57: “Anat eventually arrived at the abode of the dead inside the earth and found the body of Aliyan (Baal). She carried it to heights of Saphon, where she buried hem, and sacrified to him. She then sought out Mot and implored to restore Aliyan to life, but he refused. She lay hold of Mot and killed him.”







AMON

AMON.
Dit is geen fenicische godheid, maar hij werd wel aanbeden door de Feniciërs. ’Imn (egyptisch), ’mn (fenicisch), ’Amon (hebreeuws), Amanu/Amunu (akkadisch), Amon (grieks). Amon was de lokale godheid van Thebe in Boven-Egypte en werd tijdens het Nieuwe Rijk de hoogste godheid van Egypte. Hij werd geassimileerd met de zonnegod Ré onder de naam Amon-Ré. Zijn heilige dier was het schaap. Amon werd ook de grote god van de 21e dynastie tussen 1070 en 945 v.C, waarvan de regering in Tanis in de Nijldelta samenvalt met de oudste getuigenissen van de cultus in Fenicië, zoals bijvoorbeeld naar voren komt in het reisverslag van Wen Amon. De fenicische schaal van Tekké op Kreta (10e eeuw v.C) is aan Amon gewijd. Zijn naam komt ook voor in fenicische persoonsnamen en dat geldt ook voor Ré, zoals ‘bdr‘ en r‘mlk. Sommige Feniciërs uit Egypte hebben Amon en/of Réook in hun namen opgenomen (inscripties CIS I, 3778; 5789). Hun namen staan gegraveerd op scarabee’s, die gevonden zijn in fenicische en punische plaatsen. In de latere tijden en tijdens de Grieks/Romeinse periode speelt het heiligdom van Zeus Ammon in de oase van Siwa een internationale rol van betekenis.
Literatuur:
- A.Lemaire, Divinités égyptiennes dans l’onomastique phénicienne, St.Phoen.4 (1980) p.87-98.
- E.Lipinski e.a. : Dictionnaire de la civilisation Phénicienne et Punique, Brepols, Leuven, 1992.

AMON.
Dit is geen fenicische godheid, maar hij werd wel aanbeden door de Feniciërs. ’Imn (egyptisch), ’mn (fenicisch), ’Amon (hebreeuws), Amanu/Amunu (akkadisch), Amon (grieks). Amon was de lokale godheid van Thebe in Boven-Egypte en werd tijdens het Nieuwe Rijk de hoogste godheid van Egypte. Hij werd geassimileerd met de zonnegod Ré onder de naam Amon-Ré. Zijn heilige dier was het schaap. Amon werd ook de grote god van de 21e dynastie tussen 1070 en 945 v.C, waarvan de regering in Tanis in de Nijldelta samenvalt met de oudste getuigenissen van de cultus in Fenicië, zoals bijvoorbeeld naar voren komt in het reisverslag van Wen Amon. De fenicische schaal van Tekké op Kreta (10e eeuw v.C) is aan Amon gewijd. Zijn naam komt ook voor in fenicische persoonsnamen en dat geldt ook voor Ré, zoals ‘bdr‘ en r‘mlk. Sommige Feniciërs uit Egypte hebben Amon en/of Ré ook in hun namen opgenomen (inscripties CIS I, 3778; 5789). Hun namen staan gegraveerd op scarabee’s, die gevonden zijn in fenicische en punische plaatsen. In de latere tijden en tijdens de Grieks/Romeinse periode speelt het heiligdom van Zeus Ammon in de oase van Siwa een internationale rol van betekenis.
Literatuur:
- A.Lemaire, Divinités égyptiennes dans l’onomastique phénicienne, St.Phoen.4 (1980) p.87-98.
- E.Lipinski e.a. : Dictionnaire de la civilisation Phénicienne et Punique, Brepols, Leuven, 1992.

AMON.
This is not a Phoenician deity, but became worshiped by the Phoenicians. ’IMN (Egyptian), ’mn (Phoenician), ’Amon (Hebrew), Amanu / Amunu (Akkadian), Amon (Greek). Amon was the local deity of Thebes in Upper Egypt during the New Kingdom of Egypt and became the highest deity. He was assimilated with the sun god Ré under the name Amon-Ré. His sacred animal was a sheep. Amon was the great god of the 21st dynasty between 1070 and 945 BC, whose government at Tanis in the Nile Delta coincides with the oldest testimonies of the cult in Phoenicia, such as reflected in the travel report of Wen Amon. The Phoenician plate of Tekké in Crete (10th century v.C) is dedicated to Amon. His name also appears in Phoenician personal names and so is Ré, such as ‘BDR‘ and r‘mlk. Some Phoenicians from Egypt took Amun and / or Ré also in their names (CIS inscriptions I, 3778; 5789). Their names are engraved on scarabs, found in Phoenician and Punic sites. In later times, and during the Greek / Roman period plays the sanctuary of Zeus Ammon in the oasis of Siwa an international role.
Literature:
- A.Lemaire, Divinités Egyptiennes dans l'onomastique phénicienne, St.Phoen.4 (1980) p.87-98.
- E.Lipinski et al: Dictionnaire de la civilization Phénicienne et Punique, Brepols, Leuven, 1992.



ADONIS


ADONIS

Inleiding:
Deze naam is een grieks-latijnse godennaam en tot stand gekomen door het woord ’adoni te gebruiken van de noordwest-Semietische culten = heer. Het werd reeds gebruikt als een goddelijke toevoeging in het 3e millennium v.C. Het is het zelfstandig naamwoord ’adanu > ’adon, dat voorzien werd van het achtervoegsel –iy / -î voor de eerste persoon enkelvoud = mijn heer. We komen het als zodanig tegen in aanroepende formules van de Papyrus Amherst 63, kolom 12 (13). In de semietische teksten verwijst het niet naar een of andere godheid in het bijzonder, behalve in joodse overleveringen, waar het meervoud van majesteit ’Adonay letterlijk “mijne heren” betekent en een surrogaat is voor de onuitsprekelijke naam van Yahvé.
The world of the Phoenicians, Sabatino Moscati in a translation by Alastair Hamilton:
p.58: The third god of Byblos, Adonis, is only given this name by the Greek authors. The name, however, is obviously Semitic – adon = ‘master’, and the pronominal suffix, -î, ‘my master’. The same Greek sources present the figure of a young god who dies and resurrected. He expresses the animal death and rebirth of earthly vegetation and is thereby connected with the figure of the mother goddess in the cult and the myth …………
The Greek myth is an obvious repetition of the ancient Oriental myth of Dumuzi, Tammuz, Osiris, Telipinu, Baal, …………….
p.65: The sanctuary  of Aphka was in the Lebanese mountains at the source of the river Adonis, now Nahr Ibrahim. Offerings to Astarte were cast into a bowl…………..
As the river neared the sea the riverwater occasionally turned in reddish colour. Lucian relates that according to the faithful the red was the blood of Adonis……………………

Griekse mythologie:
Adonis is hierin de held, die bemind wordt door Aphrodite. Hij blijkt de zoon te zijn van verschillende personen volgens evenzovele overleveringen. Afhankelijk van de bron zijn dat Cinyras en Myrrha, of van Phoenix en Alphesiboea, of van Cinyras en Methaene, of van Théas en Myrrha. Om zijn schoonheid te bewaren verborg Aphrodite hem in een korf, die ze aan Persephoné toevertrouwde. Toen hij op de jacht door een wild zwijn gedood was, verkreeg Aphrodité gedaan, dat hij slechts de helft van het jaar bij Persephoné in de onderwereld behoefde te blijven, de andere helft van het jaar brengt hij bij de goden door op de Olympus. Uit zijn bloed ontstond de tedere en kort bloeiende anemoon. Een versie van het verhaal houdt in, dat Persephoné Adonis niet meer wil teruggeven. Toen besliste Zeus, dat Adonis een derde van het jaar bij Aphrodite en een derde van het jaar bij Persephoné zou blijven, terwijl hij over een derde van het jaar vrij zou kunnen beschikken. Adonis verkoos ook die tijd met Aphrodité door te brengen.

Oorsprong en aard:
De mythe heeft echter ondanks de griekse hoge vlucht een semietische oorsprong en wel duidelijk fenicisch. De naam komt dan ook van ’dn = heer, hetgeen een toevoegsel is voor koningen en goden. Hij wordt geidentificeerd als Osiris en Dumuzi/Tammuz volgens diverse bronnen in latere tijden. Waar stond de godheid eigenlijk voor? Daar circuleren verschillende meningen over, zoals ‘geest van de vegetatie’, ‘stervende god’, ‘agrarisch karakter’, ‘Ešmoen’, ‘parfum als attribuut’, ‘de mislukte jager’. De oorsprong is echter duidelijk fenicisch met een godheid, die sterft en toch weer komt tot een wederopstanding. Adon wordt echter in de loop der tijd totaal vergriekst, waarbij hij als Adonis mysterieuze culten en hele tuinen krijgt bijgevoegd.

Adonis-feesten:
In Griekenland werden feesten in de hoogzomer gehouden ter ere van Adonis, Deze veelal orgiastische feesten eindigden met klaagzangen over de dood van de held. In Athene werd in de 5e eeuw v.C het feest georganiseerd door vrouwen op de daken van de huizen. In Alexandrië werd in de 3e eeuw na Chr. het feest in het koninklijk paleis gevierd in aanwezigheid van de koningin als het schijnbeeld van Adonis. In Byblos werd in de keizertijd een Adonis vereerd tijdens openbare feesten, waaraan ook mannen deelnamen. Hieraan werd de heilige prostitutie van de vrouwen gekoppeld. Na de klaagzangen over de dood van de helden volgden hier echter vreugdevolle liederen over de wederopstanding (égersis). In al deze plaatsen werden speciale Adonis-tuinen aangelegd.
Ammianus Marcellinus schrijft over het festival van Adonis in Byblos in de 4e eeuw v.C het volgende: “Bij de dood van koning Grumbates tegen de Perzen tijdens Constantijn (337-361 na Chr) wordt een begrafenisceremonie gehouden: de vrouwen beklagen zich luid over de hoop van de natie, die neergemaaid werden in de bloem van hun jeugd, terwijl zij zich kommervol en huilend op de gebruikelijke manier op de borst slaan. Net zoals de priesteressen van Venus worden gezien in het treuren bij het jaarlijkse festival van Adonis, dat, zoals de mystieke kennis van de religie ons verteld, een soort symbool is van rijpend graan.”

Syro-fenicische cultus:
De ontdekking van een tempel voor Adonis te Dura-Eurropos geeft inzicht in de cultus in het semietische milieu. Deze tempel is voorzien van een lange toegang (54m lang en 8-11m breed). De eigenlijke tempel bestaat uit een boog over de ‘naos’, geflankeerd door 2 kamers. Daarnaast staat een tempel van Atargis en ook zijn er nog 9 aparte zalen, waar de ‘thiases’(=Marzeh) bijeenkwamen. Geen enkele andere tempel bevat hier zoveel ruimtes voor de heilige banketten.
In 181/182 na Chr. worden een zuilengalerij en een provisiekamer toegevoegd aan het tempelcomplex, hetgeen er op wijst, dat het een onderdeel vormt voor de heilige maaltijden. De wijding vind plaats door 2 personen, een met een arabische naam Solaios en een met arameese naam Gornaios (zoon van de hogepriester en tevens ‘desmophulax’). Dat laatste is een titel voor een heilige functionaris voor de cultus van Adonis.Dit soort wijding ging niet gepaard met offers, want in het hele tempelcomplex is geen enkel altaar aangetroffen. Adonis blijkt in Dura-Europos een agrarisch getinte godheid te zijn en daarbinnen speciaal een wijnngod. Op andere plaatsen beschikt Adonis over tuinen, die voorzien zijn van taveernes, waar de wijn gedronken wordt. Soms beschikt hij zelfs over een heilig bos, zoals te Bethléem: “Bethleem lucus adumbrat Thamuz, id est Adonidis” (Jér., Ep. 58,3).

Punische cultus:
Deze wordt in Noord-Afrika aangetroffen in de Romeinse periode. Een ‘sacerdos Adonis’ wordt genoemd in een inscriptie uit Béchateur (Thisi, IL Tun I 1188) en uit een wijding uit de omgeving van Nepheris vanuit de jaren 198 en 209 na Chr., die begint met de woorden “Adoni Aug(usto) sac(rum)” (CIL.VIII, 24031). Deze titel refereert niet aan de Syro-fenicische Adonis, maar gewoon aan Baal Hamon (afrikaanse Saturnus).

De Adonis van Byblos:
Byblos et la fête des Adonis, Brigitte Soyez, Leiden, E.J.Brill 1977.
Les fêtes adonidiennes apparaissent, au terme de cet ouvrage, comme le noyau de vie cultuelle giblite. Sans remettre en cause la définition même du mythe, la question de la date des Adonies nous a permis d’ébaucher leur origine à la fois historique et poétique, les conditions qu’elles nécessitaient et la manière dont elles se déroulaient.
 J’insisterai davantage, pour finir, sur la notion de couple qu’impose la présence, à la tête du panthéon local, de deux divinités cardinales, Adonis et Ba‘alat. Cette dualité est loin, en fait, d’être un phénomène unique. Si l’on accepte le cas de Béryte, dont les cultes sont largement calqués sur la croyances syriennes et, plus spécifiquement héliopotaines, Sidon et Tyr connaissent, elles aussi, la dyade.
Tout porte donc à croire, qu’il faut chercher ailleurs qu’en Phénicie les origines de la trinité dont les Syriens firent au contraire grand usage. Les panthéons côtiers, en profonde mutation à partir de la période hellénistique, sont unanimement fidèles à la fécondité ancestrale, symbolisée par l’une ou l’autre forme d’Astarte. Mais à ses cotés une entité nouvellement créeé. Que l’on peut qualifier de dieu jeune, a supplanté Ba‘al.
Nous entrevoyons là une révolution commune dans la mentalité religieuse du temps ; une continuité existe puisqu’Adonis est devenu, au même titre qu’Eshmun et que Melqart, la dépositaire de la fertilité vitale de la nature, mais on devine, davantage encore, la marque d’une ouverture car l’inquiétude enracinée dans la personnalité de Ba‘al disparaît peu à peu avec la naissance d’espoir auquel participent les divers avatars de l’Adonis giblite. La perspective divine s’est, en somme, élargie. La peur fait place à l’espérance ; la salut est tout proche et la moisson ne cessera jamais d’être abondante.

Literatuur :
- E.Lipinski, Dictionnaire de la civilisation Phénicienne et Punique, Brepols, Leuven 1992.
- W.Atallah, Adonis dans la littérature et l’art grecs, Paris 1966.
- G.Piccaluga, Adonis e i profumi di un certo strutturalismo, Maia n.s.26 (1974).
Adonis, i cacciatori falliti e l’avvento dell’agricoltura, Il mito greca, Roma 1977, p.33-48.
- B.Soyez, Byblos et la fête des Adonies, Leiden 1977.
- S.Ribinchini, Adonis, Aspetti ‘orientali’ di un mito greco, Roma 1981.
Adonis. Relazioni del Colloquio in Roma (1981), Roma 1984.
- G.J.Baudy, Adonisgärten. Studien zur antiken Samensymbolik, Königstein, 1986.
- M.J.Rostovtzelf + F.E.Brown + C.B.Welles, The Excavations at Dura-Europos, Preliminary Report of the Seventh and Eight Seasons of Work 1933-1934 and 1934-1935. New Haven 1939.
- F.Cumoni, Les desmophulax d’Adonis, Syria 22 (1941). P.292-295.
J.T.Milik, Dédicaces faites par des dieux (Palmyre, Hatra, Tyr) et des thiases sémitiques à l’époque romaine, Paris 1972, p.142, 204-205.
- J.Toutain, Bulletin de la societé nationale des Antiquaires de France 1915, p.269-299 + BAC 1918 p.CLXX – CLXXII.
- Sabatino Moscati, The world of the Phoenicians.
- G.E.Markoe, Phoenicians, Berkely, 2000.
- C.R.Krahmalkov, Phoenician-Punic Dictionary, Leuven 2000.





ADONIS

Inleiding:
Deze naam is een grieks-latijnse godennaam en tot stand gekomen door het woord ’adoni te gebruiken van de noordwest-Semietische culten = heer. Het werd reeds gebruikt als een goddelijke toevoeging in het 3e millennium v.C. Het is het zelfstandig naamwoord ’adanu > ’adon, dat voorzien werd van het achtervoegsel –iy / -î voor de eerste persoon enkelvoud = mijn heer. We komen het als zodanig tegen in aanroepende formules van de Papyrus Amherst 63, kolom 12 (13). In de semietische teksten verwijst het niet naar een of andere godheid in het bijzonder, behalve in joodse overleveringen, waar het meervoud van majesteit ’Adonay letterlijk “mijne heren” betekent en een surrogaat is voor de onuitsprekelijke naam van Yahvé.
The world of the Phoenicians, Sabatino Moscati in a translation by Alastair Hamilton:
p.58: The third god of Byblos, Adonis, is only given this name by the Greek authors. The name, however, is obviously Semitic – adon = ‘master’, and the pronominal suffix, -î, ‘my master’. The same Greek sources present the figure of a young god who dies and resurrected. He expresses the animal death and rebirth of earthly vegetation and is thereby connected with the figure of the mother goddess in the cult and the myth …………
The Greek myth is an obvious repetition of the ancient Oriental myth of Dumuzi, Tammuz, Osiris, Telipinu, Baal, …………….
p.65: The sanctuary  of Aphka was in the Lebanese mountains at the source of the river Adonis, now Nahr Ibrahim. Offerings to Astarte were cast into a bowl…………..
As the river neared the sea the riverwater occasionally turned in reddish colour. Lucian relates that according to the faithful the red was the blood of Adonis……………………

Griekse mythologie:
Adonis is hierin de held, die bemind wordt door Aphrodite. Hij blijkt de zoon te zijn van verschillende personen volgens evenzovele overleveringen. Afhankelijk van de bron zijn dat Cinyras en Myrrha, of van Phoenix en Alphesiboea, of van Cinyras en Methaene, of van Théas en Myrrha. Om zijn schoonheid te bewaren verborg Aphrodite hem in een korf, die ze aan Persephoné toevertrouwde. Toen hij op de jacht door een wild zwijn gedood was, verkreeg Aphrodité gedaan, dat hij slechts de helft van het jaar bij Persephoné in de onderwereld behoefde te blijven, de andere helft van het jaar brengt hij bij de goden door op de Olympus. Uit zijn bloed ontstond de tedere en kort bloeiende anemoon. Een versie van het verhaal houdt in, dat Persephoné Adonis niet meer wil teruggeven. Toen besliste Zeus, dat Adonis een derde van het jaar bij Aphrodite en een derde van het jaar bij Persephoné zou blijven, terwijl hij over een derde van het jaar vrij zou kunnen beschikken. Adonis verkoos ook die tijd met Aphrodité door te brengen.

Oorsprong en aard:
De mythe heeft echter ondanks de griekse hoge vlucht een semietische oorsprong en wel duidelijk fenicisch. De naam komt dan ook van ’dn = heer, hetgeen een toevoegsel is voor koningen en goden. Hij wordt geidentificeerd als Osiris en Dumuzi/Tammuz volgens diverse bronnen in latere tijden. Waar stond de godheid eigenlijk voor? Daar circuleren verschillende meningen over, zoals ‘geest van de vegetatie’, ‘stervende god’, ‘agrarisch karakter’, ‘Ešmoen’, ‘parfum als attribuut’, ‘de mislukte jager’. De oorsprong is echter duidelijk fenicisch met een godheid, die sterft en toch weer komt tot een wederopstanding. Adon wordt echter in de loop der tijd totaal vergriekst, waarbij hij als Adonis mysterieuze culten en hele tuinen krijgt bijgevoegd.

Adonis-feesten:
In Griekenland werden feesten in de hoogzomer gehouden ter ere van Adonis, Deze veelal orgiastische feesten eindigden met klaagzangen over de dood van de held. In Athene werd in de 5e eeuw v.C het feest georganiseerd door vrouwen op de daken van de huizen. In Alexandrië werd in de 3e eeuw na Chr. het feest in het koninklijk paleis gevierd in aanwezigheid van de koningin als het schijnbeeld van Adonis. In Byblos werd in de keizertijd een Adonis vereerd tijdens openbare feesten, waaraan ook mannen deelnamen. Hieraan werd de heilige prostitutie van de vrouwen gekoppeld. Na de klaagzangen over de dood van de helden volgden hier echter vreugdevolle liederen over de wederopstanding (égersis). In al deze plaatsen werden speciale Adonis-tuinen aangelegd.
Ammianus Marcellinus schrijft over het festival van Adonis in Byblos in de 4e eeuw v.C het volgende: “Bij de dood van koning Grumbates tegen de Perzen tijdens Constantijn (337-361 na Chr) wordt een begrafenisceremonie gehouden: de vrouwen beklagen zich luid over de hoop van de natie, die neergemaaid werden in de bloem van hun jeugd, terwijl zij zich kommervol en huilend op de gebruikelijke manier op de borst slaan. Net zoals de priesteressen van Venus worden gezien in het treuren bij het jaarlijkse festival van Adonis, dat, zoals de mystieke kennis van de religie ons verteld, een soort symbool is van rijpend graan.”

Syro-fenicische cultus:
De ontdekking van een tempel voor Adonis te Dura-Eurropos geeft inzicht in de cultus in het semietische milieu. Deze tempel is voorzien van een lange toegang (54m lang en 8-11m breed). De eigenlijke tempel bestaat uit een boog over de ‘naos’, geflankeerd door 2 kamers. Daarnaast staat een tempel van Atargis en ook zijn er nog 9 aparte zalen, waar de ‘thiases’(=Marzeh) bijeenkwamen. Geen enkele andere tempel bevat hier zoveel ruimtes voor de heilige banketten.
In 181/182 na Chr. worden een zuilengalerij en een provisiekamer toegevoegd aan het tempelcomplex, hetgeen er op wijst, dat het een onderdeel vormt voor de heilige maaltijden. De wijding vind plaats door 2 personen, een met een arabische naam Solaios en een met arameese naam Gornaios (zoon van de hogepriester en tevens ‘desmophulax’). Dat laatste is een titel voor een heilige functionaris voor de cultus van Adonis. Dit soort wijding ging niet gepaard met offers, want in het hele tempelcomplex is geen enkel altaar aangetroffen. Adonis blijkt in Dura-Europos een agrarisch getinte godheid te zijn en daarbinnen speciaal een wijngod. Op andere plaatsen beschikt Adonis over tuinen, die voorzien zijn van taveernes, waar de wijn gedronken wordt. Soms beschikt hij zelfs over een heilig bos, zoals te Bethléem: “Bethleem lucus adumbrat Thamuz, id est Adonidis” (Jér., Ep. 58,3).

Punische cultus:
Deze wordt in Noord-Afrika aangetroffen in de Romeinse periode. Een ‘sacerdos Adonis’ wordt genoemd in een inscriptie uit Béchateur (Thisi, IL Tun I 1188) en uit een wijding uit de omgeving van Nepheris vanuit de jaren 198 en 209 na Chr., die begint met de woorden “Adoni Aug(usto) sac(rum)” (CIL.VIII, 24031). Deze titel refereert niet aan de Syro-fenicische Adonis, maar gewoon aan Baal Hamon (afrikaanse Saturnus).

De Adonis van Byblos:
Byblos et la fête des Adonis, Brigitte Soyez, Leiden, E.J.Brill 1977.
Les fêtes adonidiennes apparaissent, au terme de cet ouvrage, comme le noyau de vie cultuelle giblite. Sans remettre en cause la définition même du mythe, la question de la date des Adonies nous a permis d’ébaucher leur origine à la fois historique et poétique, les conditions qu’elles nécessitaient et la manière dont elles se déroulaient.
 J’insisterai davantage, pour finir, sur la notion de couple qu’impose la présence, à la tête du panthéon local, de deux divinités cardinales, Adonis et Ba‘alat. Cette dualité est loin, en fait, d’être un phénomène unique. Si l’on accepte le cas de Béryte, dont les cultes sont largement calqués sur la croyances syriennes et, plus spécifiquement héliopotaines, Sidon et Tyr connaissent, elles aussi, la dyade.
Tout porte donc à croire, qu’il faut chercher ailleurs qu’en Phénicie les origines de la trinité dont les Syriens firent au contraire grand usage. Les panthéons côtiers, en profonde mutation à partir de la période hellénistique, sont unanimement fidèles à la fécondité ancestrale, symbolisée par l’une ou l’autre forme d’Astarte. Mais à ses cotés une entité nouvellement créeé. Que l’on peut qualifier de dieu jeune, a supplanté Ba‘al.
Nous entrevoyons là une révolution commune dans la mentalité religieuse du temps ; une continuité existe puisqu’Adonis est devenu, au même titre qu’Eshmun et que Melqart, la dépositaire de la fertilité vitale de la nature, mais on devine, davantage encore, la marque d’une ouverture car l’inquiétude enracinée dans la personnalité de Ba‘al disparaît peu à peu avec la naissance d’espoir auquel participent les divers avatars de l’Adonis giblite. La perspective divine s’est, en somme, élargie. La peur fait place à l’espérance ; la salut est tout proche et la moisson ne cessera jamais d’être abondante.

Literatuur :
- E,Lipinski, Dictionnaire de la civilisation Phénicienne et Punique, Brepols, Leuven 1992.
- W.Atallah, Adonis dans la littérature et l’art grecs, Paris 1966.
- G.Piccaluga, Adonis e i profumi di un certo strutturalismo, Maia n.s.26 (1974).
Adonis, i cacciatori falliti e l’avvento dell’agricoltura, Il mito greca, Roma 1977, p.33-48.
- B.Soyez, Byblos et la fête des Adonies, Leiden 1977.
- S.Ribinchini, Adonis, Aspetti ‘orientali’ di un mito greco, Roma 1981.
Adonis. Relazioni del Colloquio in Roma (1981), Roma 1984.
- G.J.Baudy, Adonisgärten. Studien zur antiken Samensymbolik, Königstein, 1986.
- M.J.Rostovtzelf + F.E.Brown + C.B.Welles, The Excavations at Dura-Europos, Preliminary Report of the Seventh and Eight Seasons of Work 1933-1934 and 1934-1935. New Haven 1939.
- F.Cumoni, Les desmophulax d’Adonis, Syria 22 (1941). P.292-295.
J.T.Milik, Dédicaces faites par des dieux (Palmyre, Hatra, Tyr) et des thiases sémitiques à l’époque romaine, Paris 1972, p.142, 204-205.
- J.Toutain, Bulletin de la societé nationale des Antiquaires de France 1915, p.269-299 + BAC 1918 p.CLXX – CLXXII.
- Sabatino Moscati, The world of the Phoenicians.
- G.E.Markoe, Phoenicians, Berkely, 2000.
- C.R.Krahmalkov, Phoenician-Punic Dictionary, Leuven 2000.



ADONIS

Introduction:
This name is a Greek-Latin Gods name and established by using the word ’adoni of the Northwest Semitic cults = Mr. It was already used as a divine addition in the 3rd millennium BC. It is the noun 'adanu> adon, which was completed with the suffix -iy / -i for the first person singular = my lord. We come as such against the calling in of the formulas Papyrus Amherst 63, column 12 (13). In the Semitic texts it does not refer to any deity in particular, except in Jewish traditions, where the plural of majesty "Adonay literally " gentlemen " and means a substitute for the ineffable name of Yahvé.

The world of the Phoenicians, Sabatino Moscati in a translation by Alastair Hamilton:
p.58: The third god of Byblos, Adonis, is only given this name by the Greek authors. The name, however, is obviously Semitic – adon = ‘master’, and the pronominal suffix, -î, ‘my master’. The same Greek sources present the figure of a young god who dies and resurrected. He expresses the animal death and rebirth of earthly vegetation and is thereby connected with the figure of the mother goddess in the cult and the myth …………
The Greek myth is an obvious repetition of the ancient Oriental myth of Dumuzi, Tammuz, Osiris, Telipinu, Baal, …………….
p.65: The sanctuary  of Aphka was in the Lebanese mountains at the source of the river Adonis, now Nahr Ibrahim. Offerings to Astarte were cast into a bowl…………..
As the river neared the sea the riverwater occasionally turned in reddish colour. Lucian relates that according to the faithful the red was the blood of Adonis……………………




ADONIS (part 2).

Greek mythology:
Adonis, the hero, who is loved by Aphrodite. He turns out to be the son of different people claimed so many traditions. Depending on the source that are: Cinyras and Myrrha, or Phoenix and Alphesiboea, or Cinyras and Methaene, or Théas and Myrrha. To preserve its beauty Aphrodite hid him in a basket, which she entrusted to Persephone. When he was on the hunt he was slain by a wild boar. Aphrodite obtained done, that he only half of the year with Persephone need to stay in the underworld, the other half of the year, he lived with the gods on Olympus. His blood began the tender and short blooming anemone. A version of the story implies that Perséphone Adonis does not want to return. When Zeus decided that Adonis would remain one third of the year with Aphrodite and one third of the year with Persephone, while he could freely dispose of a third of the year. Adonis also chose to spend that time with Aphrodite.

Origin and nature:
However, the myth, despite the Greek booming, is of Semitic origin and obvious Phoenician. The name also comes from 'dn = gentleman, which is an additive for kings and gods. He is identified as Osiris and Dumuzi / Tammuz according to several sources in later times. Where the deity was actually for? There circulate different opinions about such as: "spirit of vegetation, '' dying god ',' agrarian character”, '' Ešmoen '', “perfume as an attribute," "the failed hunter”. The origin is clearly a Phoenician god who dies and yet comes back to a resurrection. Adon is, however, in the course of time, a total Greek transformation, wherein he as Adonis mysterious cults and whole gardens gets attached.

Adonis festivals:
In Greece were partying in high summer in honour of Adonis, this often ended in orgiastic celebrations with lamentations about the death of the hero. In Athens in the 5th century BC the party was organized by women on the roofs of the houses. Alexandria was in the 3rd century AD the festival celebrated in the royal palace in the presence of the Queen as the Adonis simulacrum. In Byblos was honoured an Adonis in the imperial period during public celebrations, to which men also took part. To this holy prostitution of the women were linked. After the lamentations about the death of the heroes followed however joyful songs about the resurrection (égersis). In all these places special Adonis gardens were laid out.
Ammianus Marcellinus writes about the festival of Adonis at Byblos in the 4th century BC that "The death of King Grumbates against the Persians during Constantine (337-361 AD) a funeral ceremony is held: the women complain loudly about hope of the nation, which mowed down in the flower of their youth were, while they beat their woeful and crying in the usual way on the chest. Just as the priestesses of Venus were seen in grieving at the annual festival of Adonis, that, as the mystical knowledge of religion tells us, is a kind of symbol of ripening grain. "

ADONIS (part 3).
Syro-Phoenician cult:
The discovery of a temple to Adonis to Dura-Eurropos provides insight into the cult in the Semitic environment. This temple has a long access (54m long and 8-11m wide). The actual temple consists of an arc about the "naos", flanked by two rooms. In addition, a temple of Atargis and there are 9 separate rooms, where the 'thiases' (= Marzeh) met. No other temple here has so many rooms for sacred banquets.
In 181/182 AD a colonnade and a pantry was added to the temple complex, which indicates that it is a part of the sacred meals. The ordination will take place by two people, one with an Arabic name Solaios and with Aramaic name Gornaios (son of the high priest and also 'desmophulax). The latter is a title for a holy officer for the cult of Adonis. This kind of ordination was not accompanied by sacrifices, because it is not found any altar in the entire temple complex. Adonis appears in Dura-Europos to be an agricultural deity and toned inside a specially god of the wine. In other places Adonis boasts gardens, which feature taverns, where wine is drunk. Sometimes he even has a sacred grove, as Bethléem "Bethleem lucus adumbrat Thamuz, id est Adonidis" (Jer, Ep 58.3..).







ADONIS (Part 4).
Punic cult:
This is found in North Africa during the Roman period. A 'sacerdos Adonis' is mentioned in an inscription from Béchateur (Thisi, IL Tun I in 1188) and an ordination from around Nepheris from the years 198 and 209 AD., Which begins with the words "Adoni Aug (usto) sac (rum) "(CIL.VIII, 24031). This title does not refer to the Syro-Phoenician Adonis, just to Baal Hamon (African Saturn).

Adonis van Byblos:
Byblos and the feast of Adonis, Brigitte Soyez, Leiden, E.J.Brill 1977.
The adonidiennes parties appear at the end of this book, as the living core of giblite worship. Without calling into question the very definition of myth, the question of the date of the Adonies allowed us to outline their origin both historical and poetic, and the conditions they require and how they unfolded.
 I insist further, finally, on the concept of torque imposed by the presence at the head of the local pantheon of deities two cardinal, Adonis and Ba'alat. This duality is far, in fact, to be a unique phenomenon. If one accepts the case of Berytus, whose services are broadly based on the Syrian beliefs and specifically héliopotaines, Sidon and Tyre know, too, the dyad.
Everything leads to believe, to look elsewhere than the Phoenician origins of the trinity which the Syrians made great use instead. Coastal pantheons, undergoing profound changes from the Hellenistic period were unanimously faithful to ancestral fertility, symbolized by one or another form of Astarte. But at his side a newly created entity, which can be described as young god Ba'al supplanted.
We see there a common religious revolution in the mentality of the time; continuity exists because Adonis became, along with Eshmun and Melqart, the custodian of the vital fertility of nature, but we guess, even more, make an opening for the anxiety rooted in personality Ba'al gradually disappears with the birth of hope involving the various avatars of Adonis giblite. God's perspective is, in fact, increased. Fear makes room for hope; the salvation is at hand and the harvest will never cease to be abundant.

Literatuur :
- E,Lipinski, Dictionnaire de la civilisation Phénicienne et Punique, Brepols, Leuven 1992.
- W.Atallah, Adonis dans la littérature et l’art grecs, Paris 1966.
- G.Piccaluga, Adonis e i profumi di un certo strutturalismo, Maia n.s.26 (1974).
Adonis, i cacciatori falliti e l’avvento dell’agricoltura, Il mito greca, Roma 1977, p.33-48.
- B.Soyez, Byblos et la fête des Adonies, Leiden 1977.
- S.Ribinchini, Adonis, Aspetti ‘orientali’ di un mito greco, Roma 1981.
Adonis. Relazioni del Colloquio in Roma (1981), Roma 1984.
- G.J.Baudy, Adonisgärten. Studien zur antiken Samensymbolik, Königstein, 1986.
- M.J.Rostovtzelf + F.E.Brown + C.B.Welles, The Excavations at Dura-Europos, Preliminary Report of the Seventh and Eight Seasons of Work 1933-1934 and 1934-1935. New Haven 1939.
- F.Cumoni, Les desmophulax d’Adonis, Syria 22 (1941). P.292-295.
J.T.Milik, Dédicaces faites par des dieux (Palmyre, Hatra, Tyr) et des thiases sémitiques à l’époque romaine, Paris 1972, p.142, 204-205.
- J.Toutain, Bulletin de la societé nationale des Antiquaires de France 1915, p.269-299 + BAC 1918 p.CLXX – CLXXII.
- Sabatino Moscati, The world of the Phoenicians.
- G.E.Markoe, Phoenicians, Berkely, 2000.
- C.R.Krahmalkov, Phoenician-Punic Dictionary, Leuven 2000.




ABADDIR


ABADDIR
Deze godennaam betekent: “steen van de krachtige”. In het fenicisch: l’bn’dr. Het betekent dus niet “krachtige steen”, want ’ b(n) = is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord en ’dr = is een mannelijk bijvoeglijk naamwoord. Abaddir is aangetroffen in de wijding Abaddiri Sancto (CIL VIII, 21481) en is afkomstig van Zucchabar (Miliana) in de vallei van de Bas-Chelif. St.Augustinus noemt de naam in Brieven (Ep.) en Priscianus van Cherchel (c.500 na Chr) noemt de naam eveneens. Priscianus verklaart de naam als een steen, die Saturnus heeft verslonden als vervanger van Jupiter. Zie: Inst.gr.VII 32; VI 45 = Keil, Gr.Lat.II, p.313.
Het verhaal van deze mythe (reeds bekend bij Hesiodus, Theogonie 485-486) geeft aanleiding om in “de krachtige” een gedaanteverwisseling van de afrikaanse Saturnus naar Baal-Hamon te onderkennen. Baal-Hamon droeg ook daadwerkelijk dit toevoegsel en waarvan de steen het symbool was.
Literatuur:
- S.Ribichini, Poenus Advena, Roma 1985, blz 113-115.
- K.Jongeling, Jeol 29 (1985,1986,1987(, blz 129-130.
- Dictionnaire de la    E.Lipinski     Brepols, 1992
       civilisation Phénicienne             Leuven
       et Punique
- C.R.Krahmalkov, Phoenician-Punic Dictionary, OLA 90, Studia Phoenicia XV, Leuven 2000, blz.28. Deze laatste auteur komt iets afwijkend tot de volgende omschrijving van de naam :’Ab ’addir = Great Father; obscure deity, perhaps a byname of the god ‘Il, the father of mankind.

ABADDIR
Deze godennaam betekent: “steen van de krachtige”. In het fenicisch: ’bn’dr. Het betekent dus niet “krachtige steen”, want ’b(n) = is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord en ‘dr = is een mannelijk bijvoeglijk naamwoord. Abaddir is aangetroffen in de wijding Abaddiri Sancto (CIL VIII, 21481) en is afkomstig van Zucchabar (Miliana) in de vallei van de Bas-Chelif. St.Augustinus noemt de naam in Brieven (Ep.) en Priscianus van Cherchel (c.500 na Chr) noemt de naam eveneens. Priscianus verklaart de naam als een steen, die Saturnus heeft verslonden als vervanger van Jupiter. Zie: Inst.gr.VII 32; VI 45 = Keil, Gr.Lat.II, p.313.
Het verhaal van deze mythe (reeds bekend bij Hesiodus, Theogonie 485-486) geeft aanleiding om in “de krachtige” een gedaanteverwisseling van de afrikaanse Saturnus naar Baal-Hamon te onderkennen. Baal-Hamon droeg ook daadwerkelijk dit toevoegsel en waarvan de steen het symbool was.
Literatuur:
- S.Ribichini, Poenus Advena, Roma 1985, blz 113-115.
- K.Jongeling, Jeol 29 (1985,1986,1987), blz 129-130.
- Dictionnaire de la    E.Lipinski     Brepols, 1992
       civilisation Phénicienne             Leuven
       et Punique
- C.R.Krahmalkov, Phoenician-Punic Dictionary, OLA 90, Studia Phoenicia XV, Leuven 2000, blz.28. Deze laatste auteur komt iets afwijkend tot de volgende omschrijving van de naam :’Ab ’addir = Great Father; obscure deity, perhaps a byname of the god ‘Il, the father of mankind.


ABADDIR
This name of a god means "stone of power". In the Phoenician, ’bn’dr. It does not mean "power stone" for ’b (n) = is a feminine noun and ’dr = is a masculine adjective. Abaddir was found in the consecration Abaddiri Sancto (CIL VIII 21481) and comes from Zucchabar (Miliana) in the valley of Bas-Chelif. St.Augustine says the name in letters (Ep.) and Priscian of Cherchel (c.500 AD) also mentions the name. Priscian explains the name as a stone that Saturn devoured as a substitute for Jupiter. See: Inst.gr.VII 32; VI 45 = Keil, Gr.Lat.II, p.313.
The story of this myth (already known to Hesiod, Theogony 485-486) ​​leads to recognize in the "powerful" a transformation of the African Saturn at Baal Hamon. Baal-Hamon also contributed effectively this additive and whose stone was the symbol.
Literature:
- S.Ribichini, Poenus Advena, Roma 1985, pp 113-115.
- K.Jongeling, JEOL 29 (1985,1986,1987), pp 129-130.
- Dictionnaire de la civilization Phénicienne
       et Punique, E.Lipinski, Leuven, Brepols, 1992
- C.R.Krahmalkov, Phoenician-Punic Dictionary, OLA 90 Studia Phoenicia XV, Leuven 2000, p.28. The latter author is slightly different to the following definition of the name: ’Ab ’Addir = Great Father; obscure deity, perhaps a byname of the god 'Il, the father of mankind.